Steinlen was een vertellende tekenaar en illustrator

Tentoonstelling: Théophile-Alexandre Steinlen. Meester van Montmartre. T/m 20 januari 2008 in de Kunsthal, Westzeedijk 341 in Rotterdam. Inl: www.kunsthal.nl

Zijn bekendste Franse affiche siert het Rotterdamse affiche. Het is een ontwerp dat Théophile-Alexandre Steinlen in 1895 maakte voor het Parijse cabaret Le Chat Noir. Een stripachtige straatkat is een grillig zwart silhouet, waarin twee felle ogen zijn uitgespaard. De pupillen staan als verticale zwarte streepjes in dat oogwit.

Het is een sterk embleem, dat de Parijzenaars indertijd op de nachtclub attendeerde en nu tentoonstellingsbezoekers naar de Rotterdamse Kunsthal trekt. Na Mucha en Toulouse-Lautrec is Steinlen (1859-1923) de derde Parijse affichetekenaar uit het fin de siècle aan wie de Kunsthal een tentoonstelling wijdt.

Naast affiches zijn er illustraties die Steinlen maakte voor kranten en tijdschriften. Veel van die tekeningen volgen een vast stramien. Er is een handeling tussen twee of drie karikaturale figuren op de voorgrond en links of rechts van dat groepje ligt een straat of interieur in het verschiet. Vaak is de achtergrond bevolkt door figuranten die toekijken of achter de hoofdrolspelers aan marcheren. Of ze staan ‘rabarber rabarber’ te mompelen met een glas in hun hand.

Ze zijn, ook visueel, het geroezemoes waartegen het gesprek, de confrontatie of de omhelzing vooraan zich afspeelt. Steinlens illustraties lijken daarin wel wat op die van Peter van Straaten tegenwoordig. Vertellende tekenaars zijn het, die in een paar lekkere lijnen een scène kunnen neerzetten.

Een broek of jas wordt donkerder gemaakt met een regen van verticale arceringen, een paar diagonale lijnen zijn een vloer in perspectief. In een illustratie is zoiets geen enkel probleem. Er moet wat omgeving zijn en die omgeving mag niet afleiden.

Maar in zijn vrije werk op een groter formaat was Steinlen veel te lang aan het strepen en krassen om een vlak vol te krijgen. De vlakken werden saai breiwerk en Steinlen verloor bovendien het grote geheel uit het oog.

De aangename directheid en soepelheid van zijn illustraties heeft in de vrije (pastel)tekeningen en schilderijen plaatsgemaakt voor houterigheid en gefragmenteerdheid. Voor storende fouten in verhoudingen, perspectief, volumes.

De Kunsthal presenteert dit ‘lange tijd onderbelichte’ deel van Steinlens oeuvre als het hoogtepunt van de tentoonstelling, maar als je de schilderijen ziet, begrijp je wel waarom ze zo weinig worden getoond. Je zou de meeste laten staan als je ze in een kringloopwinkel aantrof.

Een uitzondering is het doek L’Apothéose des chats à Montmartre (1905), een hechte compositie met een menigte katten die miauwt naar de volle maan. Het maanlicht maakt dat de voorstelling gelijkmatig wordt belicht. Misschien dat de tekenaar er daarom beter raad mee wist. Maar de katten zijn ook gewoon lekker gekwast en aan de grote verscheidenheid aan expressieve houdingen kun je zien dat Steinlen vaak naar katten keek en ze tekende. Sommige van de silhouetten zijn nog krachtiger dan het kattensilhouet op het Chat Noir-affiche. In dit schilderij heeft Steinlen zijn illustratieve begaafdheid niet verloochend, maar ingezet.

En dan zijn er gelukkig alle échte illustraties, waarvan soms zowel de reproductie als het origineel wordt getoond. Dat geldt bijvoorbeeld voor Le Printemps va venir (De lente komt eraan, 1894). Wat een titel al niet met zo’n potloodtekening kan doen! Ineens lees je aan de minimaal getekende fruitbomen en het enkele bloempje in het gras het voorjaar af, en begrijp je de opgetogenheid van het kussende paartje op het pad. De paraplu is verruild voor een parasol, de winterjassen zijn thuis gelaten.

Zo’n gevoel illustreren met een eenvoudig tekeningetje, dat kon Steinlen, en eigenlijk was dat genoeg. Gek dat goede illustratoren zo vaak denken dat ze meer dan goede illustratoren zouden moeten zijn.