Ouders zijn geen daders

Het is een bedenkelijke trend bij gemeenten om ouders te willen straffen voor de wandaden van hun kinderen. De Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher wil dit jaar aan de gemeenteraad voorstellen de kinderbijslag in te houden bij onwillige ouders van probleemjongeren. Een opvoedingscoach of een gezinsvoogd moet dan het geld verdelen. Naar Vlaams voorbeeld (Mechelen) wil Rotterdam ouders met hun ontspoorde kinderen gaan oproepen op het stadhuis, zodat ze samen hulp aanvaarden. De rechter kan al boetes opleggen voor spijbelen.

Toch zijn ouders niet verantwoordelijk voor de criminaliteit van hun kinderen. Zij kunnen er niet voor de cel ingaan. Bovendien zijn ze zelf meestal even ontsteld en verontwaardigd over hun ontspoorde kinderen als de autoriteiten. In sommige gevallen zijn ze gedesoriënteerd en hulpeloos omdat ze uit een land met een sterke sociale controle zijn geïmmigreerd en voor de informatie over de Nederlandse samenleving juist van hun ontspoorde kinderen afhankelijk zijn.

Maar ook ouders zonder zulke problemen kunnen te stellen krijgen met kinderen die spijbelen, stelen of geweld plegen. Kinderen kunnen immers in verkeerde kringen terechtkomen, verslaafd raken of aan psychische stoornissen lijden. Ouders voelen zich dan machteloos. De autoriteiten maken het erger als ze meteen met dwangmaatregelen dreigen.

Asscher wil het intrekken van de kinderbijslag beperken tot ouders die niet willen meewerken aan hulpmaatregelen, als hun kinderen ontsporen. Dat is op zichzelf terecht. Toch is het de vraag of de coaches, de overbezette gezinsvoogden, de vele regisseurs in de jeugdzorg, de Raad van Kinderbescherming en de welzijnsstichtingen die daaromheen hangen in staat zijn tot het maken van onderscheid tussen goede en slechte ouders. Eerder kan het voorkomen dat een wanhopige ouder van een gestoord kind niet wordt geholpen, maar wordt gedwongen tot een opvoedingscursus, terwijl daarmee het probleem niet wordt opgelost.

Jeugdcriminaliteit is niet gelijk aan oudercriminaliteit, maar wordt veroorzaakt door de plegers zelf. Hulpverleners kunnen van de verontwaardiging van de ouders over hun kinderen gebruikmaken door hen in te schakelen bij de te nemen maatregelen. Als te snel wordt overgegaan tot sancties, wordt er alleen wantrouwen gezaaid bij de ouders. Die zullen zich dan voortaan nooit meer uit zichzelf melden als er iets mis is met hun kinderen uit angst nog meer ellende over zich af te roepen. Uiteindelijk kunnen ouders hun vijftienjarige niet opsluiten en ze kunnen ook niet zelf controleren of die naar school gaat als hij of zij het huis verlaat.

Bij onwilligheid van ouders mogen sancties niet worden uitgesloten. Er moet een stok achter de deur zijn. Maar dat geldt ook bij verwaarlozing door ouders van niet-criminele kinderen. Er zijn sanctiemogelijkheden genoeg. Er wordt in sommige gevallen zelfs gedreigd met intrekking van de bijstand. Hulpinstellingen die op die manier druk uitoefenen én goede resultaten behalen, zijn helaas uitzonderlijk.

Het is belangrijker om de slecht functionerende jeugdzorg te verbeteren dan om nog meer sanctiemogelijkheden voor ouders te bedenken.