Niet al het toegestane gedrag is wenselijk

De AIVD bekritiseert het debat over moslimradicalisme in Nederland (NRC Handelsblad, 9 oktober). Dat wordt volgens de dienst gedomineerd door `relativisten` die zeggen dat radicalisering een voorbijgaand symptoom is van emancipatie, en `absolutisten` die waarschuwen voor een dreigende islamisering van Nederland. De AIVD pleit terecht voor een `meer realistische benadering`, maar vergeet daarbij een derde en even contraproductieve stroming in het debat: de `legalisten` die zich beperken tot de bedreiging van de rechtsstaat.

”Fundamentalisten zijn gelovigen die ik in hun gedachten niet kan volgen, maar die [...] geen vlieg kwaad doen,” aldus een paar jaar geleden Job Cohen.

Dezelfde beperkte rechtsfilosofie hanteren partijgenoten als Vogelaar - `boerka moet kunnen` - en geestverwanten als Donner - `een democratische meerderheid mag de sharia invoeren.` En kennelijk ook academische deskundigen als Bob de Graaff: `waarom zou de overheid zich met radicalisme moeten bezighouden als dit niet tot geweld leidt?` (Opiniepagina, 12 oktober).

Het antwoord op deze vraag is simpel: gedrag dat de wet toestaat, is daarmee nog niet wenselijk, noch voor de samenleving, noch voor het betreffende individu en zijn omgeving. Daarom bemoeit de overheid zich met het gedrag - door de wet toegestaan - van rokers, drinkers en dikkerds. Waarom ook niet met dat van degenen die - om met Multatuli te spreken - `godsdol` zijn?

Die volgens het AIVD-onderzoek in woord en gebaar behalve vrouwen en homoseksuelen ook liberale, gematigde moslims bedreigen? Fundamentalisten hebben kinderen. Krijgen die dezelfde kansen als andere?