Films voor het zielenheil

De rubriek Bijzien zet films in een bredere context. Deze week over film en de wat de katholieken ermee wilden, naar aanleiding van het Bresson-retrospectief in het Filmmuseum.

Van boven naar beneden: ‘Les anges du péché’ (1943), ‘Journal d’un curé de campagne’ (1951’) en ‘The Passion of the Christ’. (2004) (foto) scene uit de film 'The Passion of the Christ' (2004, Mel Gibson) A-film

Film is een katholiek medium, hoor je wel eens. De kerk zelf vond in elk geval dat dat zo hóórde te zijn. Vandaar dat de katholieken zo positief waren toen in 1943 Les anges du péché van Robert Bresson in première ging. Bressons debuutfilm kwam uit de koker van een Dominicaanse monnik, Raymond Bruckberger. De Katholieke Film Actie (KFA), die in Nederland films keurde op ‘godsdienstzin, zedelijkheid en maatschappelijke opvattingen en gedragingen’ prees De engelen der zonde, zoals de film in Nederland heette, in een van haar brochures de hemel in: „Boeiende en knappe film spelend bij de zusters van Bethanië. Niet voor al te jeugdigen.”

De bemoeienis van katholieken met film gaan, net zoals bij de socialisten, terug tot de begintijd van cinema. Beide denominaties zagen de propagandamogelijkheden van het nieuwe medium dat miljoenen mensen kon bereiken. Een uitstekende manier om het geloof te verkondigen.

Toch maakten velen zich ook zorgen, aangezien het aantal religieuze films, hoe populair ook, slechts een klein percentage van het totale aanbod besloeg. Toeschouwers kregen verder van alles voorgeschoteld, waaronder veel verleidingen en slechte voorbeelden. Kon je zo maar een inbreker laten zien?

Rond 1909 maakten talloze katholieken zich zorgen over dit ‘bioscoopgevaar’. Zo schreef het Katholiek Sociaal Weekblad: „Zeer vele voorstellingen vergiftigen het geestelijk en zedelijk leven reeds in de jeugd.” De in 1926 opgerichte filmkeuring was de katholieken niet streng genoeg. Drie jaar later kwam er een ‘nakeuringsakkoord’, dat katholieke instanties in staat stelde eigenhandig films te keuren. De Katholieke Film Centrale voerde een extra toets voor geschiktheid en toelaatbaarheid in, zodat christenen „nooit filmvoorstellingen zullen bezoeken, welke een belediging zijn voor de waarheid en de christelijke opvattingen”.

In 1936 zag de encycliek Vigilante Cura (Met waakzame zorg) van Paus Pius XI het licht, met als ondertitel ‘Over het morele gevaar en de opvoedende waarde van film en bioscoop, en de noodzaak van katholieke filmactie’. Films mochten niet in strijd zijn met christelijke opvattingen. In 1937 werd de stichting ‘Werk voor de Goede Film’ KFA opgericht. De zielenherders keurden films, gaven het tijdschrift Katholiek Filmfront uit en richtten het distributiebedrijf Gofilex op (GOede FILm EXploitatie), waarmee ‘goede’ films werden geïmporteerd, zoals de Franse Onze Lieve Vrouwe van de sloppen en de heiligenfilm Don Bosco. Sommige priesters preekten op speciale filmzondagen over film, en religieuze cineasten als Jan Hin maakten zuiver katholieke films, zoals Kentering. Ondanks hun bevoogdende houding hadden ze wel smaak. Zo bevalen ze een andere film van Bresson, Journal d’un curé de campagne (1951), aan met de zinsnede: „Naar vorm en inhoud een meesterwerk”. En dat hadden ze goed gezien.