Dromen en gedachten

De voorbije nacht droomde ik dat men een grot voor mij had ingericht. Wie ‘men’ was, was niet duidelijk, maar de tijd om daar lang bij stil te staan, ontbrak. Men had alles grondig georganiseerd en verwachtte van mij een feilloze participatie.

Ik beschikte over een tafel, een stoel en een klein podium, slingers, ballonnen, zaklampen, pruiken, borrelhapjes, exotisch fruit en allerhande knutselmateriaal. Boven, aan de ingang van de grot, stond een lange rij mensen aan te schuiven. Ik kon een glimp van hun ongeduldig heen en weer bewegende onderbenen opvangen.

Een voor een daalden zij af langs een touwladder om bij mijn tafeltje te komen staan. Voor de een zong ik een lied in het Italiaans of in een andere taal die ik niet beheers, voor anderen probeerde ik vruchteloos om een langwerpige ballon tot een knaagdier om te vormen, sprong ik gekleed in een goudkleurige maillot door de cirkels die ik mijn lint liet beschrijven, acteerde ik zo levensecht mogelijk dat ik net schokkend nieuws had vernomen en imiteerde ik de lokroep van verschillende watervogels.

En dat alles in minder dan tien minuten. Vragen naar wat ik aan het doen was, kwamen bij me op, maar de tijdsdruk was prangender. De mensen reageerden verdeeld. Er waren er die verheugd applaudisseerden.

Anderen leken toch iets anders te hebben verwacht. Toen ik bij het nekvel werd gegrepen door de scherpe nagels van iemand die zijn teleurstelling over zijn olieverfportret niet wist te onderdrukken, werd ik wakker.

‘Plato’, dacht ik met de haast van een quizkandidaat. Vervolgens besliste ik dat diens grot toch heel weinig met die uit mijn droom te maken had. De door mijn onderbewustzijn bedachte allegorie was banaler van aard en had alles te maken met de Antwerpse Boekenbeurs die vanavond begint.

Honderd en tien boekenstands over tienduizend vierkante meter, klaar voor honderdzeventigduizend bezoekers. Signeertijd.

Ik ken geen schrijvers die graag signeren. De meesten doen het wel, want zo erg is het nu ook weer niet. Dat is waar, al werd mijn irritatiegrens ooit bereikt door een eindeloze rij mensen uit het boekenvak, ergens op een beurs in Nederland, waarvan ten minste de helft originele opdrachten eiste voor hun gratis boeken. Toen had ik bijna een papierversnipperaar geïmiteerd.

Aangezien ik geen wielrenner, mediagenieke seksuologe of originele kookboekbedenker ben, zijn de rijen die zich op de Antwerpse Boekenbeurs voor mijn tafeltje vormen, nooit zo lang als toen. Toch word ik ook hier vaak erg zenuwachtig van het recht op iets persoonlijks en gevats dat sommigen nogal krachtdadig verdedigen, tijdsdruk of niet.

Als er wel ruimte is voor conversatie, is dat meestal niet fijn maar soms wel. Vorig jaar heb ik een dood moment gevuld met een sprankelende conversatie over Walt Whitman. Mijn gesprekspartner was vijftien, erg lief en geniaal. Als ik hem dit jaar opnieuw zie, vraag ik of hij door mij geadopteerd wil worden. Ik denk het echter niet, want later die dag dook hij opnieuw op aan mijn tafeltje, met de vraag het gesigneerde boek ook aan zijn moeder op te dragen, die hem eraan had herinnerd het te hebben betaald.

Nu en dan duikt die Maastrichtse man op leeftijd op in mijn gedachten. Voor hem heb ik behalve boeken ook foto’s en stapels krantenknipsels gesigneerd. De angst dat hem iets naars zou overkomen, overvalt me wel eens. Dag meneer, ik weet dat u mijn columns leest. Gaat het goed met u?