Cohen: luister beter naar kritiek van religies

Religie is in de samenleving een samenbindende kracht, stelde burgemeester Cohen op Nieuwjaarsdag in 2002. Gisteren ging hij een stap verder. „Religies houden ons een spiegel voor.”

De kracht van religies zit in het perspectief dat ze gelovigen bieden op een rechtvaardiger samenleving. In de doopsgezinde schuilkerk aan het Singel in Amsterdam hield de Amsterdamse burgemeester Job Cohen gisteravond „als ongelovige” opnieuw een pleidooi voor erkenning van het belang van religie.

In zijn toespraak God en Mokum beschreef Cohen hoe de sociale cohesie wordt gediend door de permanente dialoog tussen de overheid en religieuze gemeenschappen, en tussen religies onderling, zoals die onder meer in de Amsterdamse burgemeesterswoning gevoerd wordt.

De burgemeester constateerde dat religies in een nood voorzien. „In een samenleving die meer en meer als seculier getypeerd kan worden, moeten wij ons realiseren dat aanhangers van godsdiensten, en daar hoort ook de islam bij, een morele agenda hebben die soms haaks staat op een aantal min of meer geaccepteerde praktijken in deze samenleving; denk aan opvattingen over alcohol- en drugsgebruik, echtscheiding, pornografie, fraude, de commercialisering van het bestaan, menselijke relaties. Dat kan ons een spiegel voorhouden; het kan ook een appèl uitoefenen op mensen die moeite hebben met de existentiële leegte van de seculiere samenleving.”

Als een samenleving geen perspectief op verbetering biedt, ligt het voor de hand dat religies – maar ook humanisten – die leemte opvullen, zei Cohen, die toen een stap verder zette: „En wat die spiegel betreft: zouden wij er niet verstandig aan doen om kritisch naar onze eigen samenleving te kijken en dergelijke kritiekpunten vanuit de religie werkelijk te onderzoeken? Ik denk dat we deze vraag, in de beste traditie van de Verlichting, volmondig met ‘ja’ zouden moeten beantwoorden. De zoektocht naar een rechtvaardige samenleving zou juist het punt kunnen zijn waarop gelovigen en seculieren elkaar de hand kunnen reiken.”

Cohen herinnerde aan de oproep van zijn voorganger Schelto Patijn aan de kerken. Die stelde de vraag of de kerken, naast de dialoog met anderen en de dienst aan de samenleving, niet voortvarender hun eigen huis op orde zouden moeten brengen en veel meer aandacht zouden moeten besteden aan de verkondiging „van de ‘goede’ boodschap van het evangelie, ook als tegenwicht voor de krachtige boodschappen van de werelden van management en commercie.” Cohen: „Ik meen dat Patijns betoog nog steeds hout snijdt.” De kerken moeten het geloofsverhaal blijven vertellen, dat de basis vormt van de normen en waarden van het joods-christelijke erfgoed.

Cohen constateerde dat het leerstuk van de scheiding van kerk en staat nogal eens wordt gebruikt om alles wat met geloof te maken heeft uit het openbare leven te verbannen en naar de privésfeer te verwijzen. „Ik ben het daar niet mee eens. Scheiding van kerk en staat betekent niet hetzelfde als scheiding van geloof en politiek. De vrijheid om politiek te bedrijven op grond van een geloofsovertuiging hoort net zo principieel bij een democratische rechtsstaat als het beginsel dat kerk en staat elk een eigen ambt vervullen. Het staat individuele gelovigen en de gelovigen in vereniging vrij om deel te nemen aan het debat over een rechtvaardige ordening van de samenleving en staat.”