Cohen

Amsterdamse stadsverslaggevers krijgen iets zorgelijks als de naam van de burgemeester valt. „Een ramp voor ons”, voegde een van hen mij toe, „nooit eens een lekkere quote, altijd maar dat enerzijds, anderzijds. Saai, saai.”

Het is geen kritiek waar Job Cohen wakker van zal liggen. Hij kent zichzelf („Ik ben de vleesgeworden nuance”, hoorde ik hem zeggen) en hij weet dat de burgers van Amsterdam hem accepteren zoals hij is.

Jammer voor de journalisten, zal hij denken, maar een bestuurder kan niet iedereen altijd tevreden stellen.

Hij vindt dat we in Nederland te veel ‘navelstaren’ en ‘miezemauzen’ en te weinig de blik naar buiten richten. De afgelopen weken was hij met een delegatie naar China geweest en hij was diep onder de indruk geraakt van de werklust en vitaliteit van de Chinezen. Amsterdam had er trouwens ‘een onvoorstelbaar goede reputatie’ kon hij niet nalaten op te merken.

Ik zag Cohen deze week op twee achtereenvolgende avonden aan het werk. Voor twee totaal verschillende soorten publiek: rumoerige, pils drinkende VVD’ers in hun politieke café aan het Thorbeckeplein, en de leden van de Doopsgezinde Gemeente in de doopsgezinde kerk aan het Singel.

Op beide avonden trad Cohen ongehavend uit het strijdperk – als je al van een strijdperk mocht spreken. Terwijl de stadsverslaggevers mismoedig hun notitieblokjes dichtsloegen, klapten de burgers hun burgemeester enthousiast toe voor ze tevreden huiswaarts keerden.

Hoe flikt hij ’m dat?

Misschien is wel zijn grootste gave dat hij iedereen volstrekt serieus neemt, of althans doet alsof. Op iedere vraag gaat hij geduldig en zonder enig dédain in, of het nou een chagrijnige, over parkeertarieven klagende VVD’er is, of een wantrouwige, doopsgezinde student die wil weten „waarom er voor u geen God is”.

Cohen licht toe en legt uit, ernstig, maar soms ook met humor en altijd op innemende toon, dus zonder een spoor van de agressiviteit die het hedendaagse publieke debat zo kenmerkt. Bij de doopsgezinden vroeg iemand hem of hij, die zo graag de boel bij elkaar wil houden, soms niet moedeloos wordt van de drieste uitspraken van politici als Wilders. „Het is soms ook moedeloosmakend”, gaf hij toe, „maar er is geen andere optie. Als je ophoudt met praten, ga je schieten, en dat kun je maar beter niet doen.”

Hard aanpakken, dat Marokkaanse tuig, werd hem door enkele VVD’ers toegeroepen. „Geschreeuw van de bühne waar je niet veel mee opschiet”, zei Cohen, „typisch populistische geluiden (en met een lachje): ik geloof trouwens dat ze nu een beetje weg zijn uit de VVD.”

Maakt zijn gematigdheid hem niet te soft, vroegen ook de doopsgezinden hem. „Nee, pappen en nathouden is niet goed”, zei hij, „daarom ook heb ik deze week tegen de ouders in Slotervaart gezegd: het zijn júllie kinderen, het is in de eerste plaats júllie verantwoordelijkheid.” En over moslimfundamentalisten: „Hoe verschrikkelijker ze denken, hoe meer reden er is om met ze in dialoog te gaan.”

Cohen, zou je kunnen zeggen, heeft zich omgord met een pantser van redelijkheid dat hem ook voor zijn felste tegenstanders onaanraakbaar maakt.