Beweging is net zo goed politieke partij

Opinieleiders moeten zich niet laten meevoeren met een nieuw soort politieke correctheid en zich geringschattend uitlaten over het verschijnsel van de politieke partij, vindt Ruud Koole.

Opvallend hoe gemakkelijk er soms wordt afgegeven op politieke partijen. De meest recente aanleiding is de oprichting door Rita Verdonk van de beweging ‘Trots op Nederland’. Boven een bericht in deze krant van 19 oktober stond Politieke partij wordt fossiel; zonder aanhalingstekens. In het artikel wordt Verdonk aangehaald die zegt dat zij bewust géén politieke partij wil oprichten, maar een beweging „voor de 99 procent van de Nederlanders die geen lid zijn van een politieke partij”. Ook elders wordt de lokroep van een politieke ‘beweging’ breed uitgemeten. Partijen zouden verouderd zijn, bij de 19e eeuw horen, en daarom passé zijn.

Het gebrek aan analyse achter dergelijke beweringen is stuitend. Een viertal opmerkingen om dat duidelijk te maken.

1 Het is een misverstand te denken dat een beweging geen partij is.

Zodra een organisatie kandidaten stelt voor politieke functies, is het per definitie een politieke partij. Een politieke partij doet nog veel meer, maar het stellen van kandidaten is het onderscheidend criterium. Je kunt die organisatie dan wel Bond of Beweging noemen, maar zodra zij zich opmaakt om aan verkiezingen deel te nemen is het een partij. In dat opzicht ben ik het niet geheel eens met Paul Lucardie die bewegingen onderscheidt van partijen (Opiniepagina, 25 oktober). Er zijn wel verschillende typen partijen.

Verdonk wil via haar ‘beweging’ het premierschap van Nederland bereiken. Daarvoor heeft zij een machtsbasis nodig en die kan zij alleen bereiken door deelname aan verkiezingen. Haar ‘beweging’ is dus gewoon een partij-in-wording. Verdonk bedient zich van de gebruikelijke retoriek van een nieuwkomer door zich af te zetten tegen de reeds bestaande politieke partijen. Dat moet elke nieuwkomer, want waarom zou je anders een nieuwe partij oprichten?

2 Politieke partijen moet worden beoordeeld aan de hand van hun bijdrage aan het functioneren van de parlementaire democratie.

Kritiek op het fenomeen partijen is er altijd geweest. Toen Nederland in 1813 na de Franse Tijd weer zelfstandig werd, stond in de onafhankelijksheidsverklaring: „Alle partijschap heeft opgehouden”. De nieuwe staat mocht niet aan verdeeldheid lijden, zoals dat recentelijk nog had bestaan tussen Patriotten en Oranjegezinden. En toen Groen van Prinsterer halverwege de negentiende eeuw de eerste schreden zette op weg naar een landelijke anti-revolutionaire partij, merkte hij dat dat niet vanzelfsprekend was. „Velen sidderen, als voor een schrikbeeld, voor het woord partij”, verzuchtte hij. Maar met de geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht, die in 1919 met de invoering van het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht zou worden afgerond, was het duidelijk dat een massademocratie niet zonder organisaties kan die de kiezers in het grondwettelijk voorgeschreven proces van periodieke verkiezingen mobiliseren en organiseren. Aan politieke partijen werden daarom functies toegeschreven die de parlementaire democratie versterken. Partijen gingen zo een intermediaire rol tussen kiezers en gekozenen spelen. In Nederland werd die intermediaire rol lange tijd en vaak met succes gespeeld binnen het kader van de zuilen.

Halverwege de jaren zestig stortten die zuilen in. De ‘dekolonisatie van de burger’, zoals H.J.A. Hofland het eens heeft genoemd, ging daarmee gepaard. De burger ging zich als kiezer minder voorspelbaar gedragen. Partijen hadden en hebben soms grote moeite het juiste antwoord te vinden op die nieuwe uitdagingen. Zij zijn gedwongen zich te vernieuwen omdat de samenleving verandert en die vernieuwing gaat met vallen en opstaan. Sommige van de aan partijen toegeschreven functies werden ook minder belangrijk. Grote massaorganisaties van leden zijn niet meer nodig om de kiezers te bereiken of te weten wat er onder hen leeft: televisie en opiniepeilingen hebben die functies overgenomen. Maar nog steeds hebben partijen, naast de ordenende functie die zij vervullen in het verkeer tussen regering en parlement, de belangrijke taak kiezers te mobiliseren, kandidaten te rekruteren, politici ter verantwoording te roepen en bij verkiezingen programmatische alternatieven aan te bieden zodat er wat valt te kiezen. Een goed functionerende democratie zonder politieke partijen is ondenkbaar.

3 Ook al is er het nodige aan te merken op het functioneren van de huidige partijen, de politieke partij als verschijnsel moet worden omarmd in plaats van haar op de mestvaalt van de geschiedenis te gooien.

Partijen weerspiegelen tot op zekere hoogte de maatschappelijke verscheidenheid. In elk politiek stelsel bestaat een veelheid aan wensen en belangen die vaak tegenstrijdig zijn of in elk geval nooit allemaal tegelijk kunnen worden bediend. Precies die taak van afweging van de vele belangen, eerst binnen partijen en daarna in het parlement tussen partijen is de essentie van politieke besluitvorming. Dat werk is noodzakelijkerwijs ingewikkeld en daardoor als proces vaak morsig en rafelig, zeker wanneer er ook nog eens compromissen in coalities gesmeed moeten worden. Dat het uiterst belangrijke, maar ook ingewikkelde en soms taaie werk van politieke partijen velen doet aarzelen om actief te zijn binnen partijen, verbaast niet. En er kan ook echt wel wat verbeterd worden in het functioneren van partijen.

Dat is geen reden om het verschijnsel politieke partij af te schrijven.

Partijen staan onder druk en zouden daarom juist extra steun verdienen. En daarbij doel ik niet zozeer op overheidssubsidies, maar op openlijke verbale steun van opinieleiders in politiek, media en wetenschap.

4 Ledenpartijen zijn beter echt voor de democratie dan partijen zonder leden.

De Nederlandse wetgever heeft deze positie ook ingenomen door in de Kieswet te verlangen dat de registratie van de partijnaam alleen kan geschieden door verenigingen. Sommigen menen dat die verenigingseis vanwege de vrijheid van organisatie niet gesteld zou mogen worden. Maar de organisatievrijheid is nooit absoluut. Zo oefent de overheid via het gekozen kiesstelsel vanzelfsprekend grote invloed uit op de interne organisatie van partijen. Door overheidssubsidie aan partijen te oormerken voor wetenschappelijk onderzoek of jongerenorganisaties treedt de overheid sturend op. De verenigingseis en het (mede) afhankelijk stellen van de hoogte van de overheidssubsidie van het aantal partijleden bevordert dat partijen een zekere mate van transparantie en interne democratie hebben, dat er interne verantwoordingsprocessen plaatsvinden, terwijl er nog steeds voldoende ruimte voor variatie tussen interne culturen van partijen blijft bestaan.

Partijen zullen er alles aan moeten doen om mensen te overtuigen lid te worden van een politieke partij. Het laatst gehouden onderzoek van 21minuten.nl laat zien dat er nog een wereld te winnen is. Op de vraag welke mogelijkheid men overweegt om – naast het stemmen – de politiek te beïnvloeden, scoorde ‘het lid worden van een partij’ het hoogst onder de respondenten: 29 procent.

Om dat potentieel aan te boren is het niet voldoende dat partijen hun best doen, maar mag ook van verantwoordelijke opinieleiders worden gevraagd zich niet te laten meevoeren met een nieuw soort politieke correctheid en zich geringschattend uit te laten over het verschijnsel van de politieke partij.

Ruud Koole is politicoloog en was voorzitter (2001-2005) van de Partij van de Arbeid. Het afgelopen jaar was hij kort interim-voorzitter.