Schrijvers maken de taal en daarmee het leven

Wie de taal kan veranderen, verandert ook de mens en de wereld zoals die door mensen wordt waargenomen.

Zonder schrijvers zou veel onbespreekbaar blijven.

Wie zouden we zijn geweest zonder Jan Wolkers? Misschien hadden we dan wel geleken op Florence en Edward, de hoofdpersonen van On Chesil Beach, de beeldschone kleine roman waarmee Ian McEwan twee weken terug de Man Booker Prize niet won – het was een week van verliezen.

McEwan beschrijft hun eerste huwelijksnacht, die zo rampzalig verloopt dat het huwelijk meteen wordt ontbonden, ongeconsumeerd, als we Edwards fatale ejaculatie even niet meerekenen.

Natuurlijk is niet iedere vrouw een Florence, die al gruwt van woorden als ‘binnengaan’ en ‘penetreren’ en die na Edwards voortijdige hoogtepunt vol walging het strand op rent. Maar hun grootste probleem, daar laat McEwan geen misverstand over bestaan, is dat ze er met elkaar niet over kunnen praten. De taal om hun seksuele mismatch (haar afgrijzen, zijn onhandige gretigheid) ter sprake te brengen zonder het probleem te vergroten moest nog worden uitgevonden.

In Nederland is Jan Wolkers een van de uitvinders geweest. Niet omdat hij een literaire propagandist van de NVSH was of omdat het in zijn werk alleen maar om seks ging (de typisch calvinistische doodsdoem is veel belangrijker), maar omdat seks op een vanzelfsprekende manier bij de wereld van zijn personages hoorde. En omdat hij er woorden voor vond, woorden die nu heel gewoon klinken, maar destijds de jonge lezers rode oortjes bezorgden.

‘Herman sloeg haar rok omhoog, deed haar broekje naar beneden en trok met zijn tong een slakkespoor over haar billen’ (Serpentina’s pettycoat) of ‘Langzaam ging hij heen en weer door die warme vochtige voor tussen dat haar’ (Kort Amerikaans). Zo deed je dat dus, zo sprak je erover. Net als bij Jan Cremer (die raadselachtige ‘flipstand’) en G.K. van het Reve (‘geheime opening’, ook al zoiets) hebben zulke ‘schuine’ passages in het werk van Jan Wolkers hun effect niet gemist.

Dat effect wordt sindsdien ook wel de ‘seksuele revolutie van de jaren zestig’ genoemd, een omwenteling die pal op de huwelijksnacht van Florence en Edward (gesitueerd in 1962) volgde. Ze waren net te vroeg, dat is hun pech. Hun lot bewijst hoe belangrijk het moment in de geschiedenis kan zijn – in hun geval beslist het over een heel leven. Vandaar dat bijna alle aandacht in het boek uitgaat naar die huwelijksnacht, terwijl de rest (het vervolg van Edwards leven vooral; Florence sluit zich op in een ijspaleis van klassieke muziek en daar valt blijkbaar veel minder over te melden) in een paar snelle bladzijden wordt afgehandeld.

De seksuele revolutie was vanzelfsprekend niet alleen een zaak van de literatuur. Minstens zo belangrijk waren de toegenomen welvaart, de pil en de in een stroomversnelling geraakte ontkerstening. Niets en niemand staat helemaal op zichzelf. Iedereen is een kind van zijn tijd, maar schrijvers en dichters kunnen er soms ook bovenuit stijgen en hun tijd richting geven. Dat dit juist voor schrijvers en dichters geldt, geeft het belang aan van de taal voor onze identiteit. Ervaringen worden, zonder dat we daar veel erg in hebben, geleid door woorden; zelfs gevoelens hebben taal nodig, zodra we ze articuleren of zelfs maar tot ons bewustzijn laten doordringen. Wie wij zijn wordt in verregaande mate bepaald door de taal. Dus wie de taal kan veranderen, verandert ook de mens en de wereld zoals die door mensen wordt waargenomen.

Zo’n verandering was de grote ambitie van de twintigste-eeuwse avant-garde, die met een nieuwe literatuur (die geen ‘literatuur’ meer mocht heten) een nieuwe mens en een nieuwe wereld hoopte te creëren. Het ging erom ‘het leven te veranderen’, zoals Rimbaud al in de negentiende eeuw had geschreven. Maar lees je nu de vaak verbluffende teksten van futuristen, dadaïsten of surrealisten, dan blijft het eerlijk gezegd een raadsel hoe iemand ooit heeft kunnen geloven dat hieruit een nieuwe mens en een nieuwe wereld zouden voortkomen. De breuk met het gangbare taalgebruik is te groot en wat de avant-gardisten schrijven blijft – onbedoeld – te ‘literair’ om buiten de kring van ingewijden diepe indruk te maken. Zou iemands leven zijn veranderd door een klankgedicht van Hugo Ball of een staaltje écriture automatique van André Breton?

Er is geen reden om iemand daar een verwijt van te maken, dichters noch publiek. Veranderingen hebben doorgaans niet zo’n revolutionair, apocalyptisch verloop. De verandering die de literatuur wel degelijk bewerkstelligt door steeds nieuwe woorden, nieuwe beelden, nieuwe verhalen de wereld in te sturen, is minder spectaculair, maar des te effectiever. Zie Jan Wolkers en de zijnen.

Maar Ian McEwan herinnert eraan dat er toch altijd ook een beslissende grens bestaat, iets wat Florence en Edward tot hun verdriet mogen ondervinden. Had hun bruiloft een paar jaar later plaatsgevonden, dan waren ze misschien nog altijd getrouwd geweest. Met dank aan de Britse Wolkersen. On Chesil Beach beschouw ik als een originele apologie van de literatuur en haar maatschappelijk belang – niet doordat McEwan de lof van een nieuwe taal zingt, maar doordat hij laat zien wat er kan gebeuren als die taal ontbreekt.

De avant-garde geloofde niet alleen in de revolutionaire komst van een nieuwe mens en een nieuwe wereld, maar ook dat daarna alle problemen van de moderne beschaving zouden zijn opgelost. Op die pretentie kunnen schrijvers als Wolkers geen aanspraak maken en dat hebben zij ook nooit gedaan. Het is de vraag of problemen ooit opgelost worden – voor hetzelfde geld zouden Florence en Edward na een paar jaar kunnen scheiden. In elk geval hebben oplossingen de vervelende neiging bijna altijd nieuwe problemen in het leven te roepen. Het houdt nooit op.

Dezer dagen is de vreugde over de seksuele revolutie omgeslagen in bezorgdheid over de ‘seksualisering’ van de samenleving. Om daarin verandering te brengen zijn weer nieuwe woorden nodig. Van Jan Wolkers zullen ze niet meer komen, andere schrijvers moeten de fakkel overnemen. Ook dat houdt nooit op. Alleen de hoop en de verwachting van de avant-garde zie ik niet zo snel terugkeren. Haar grote vergissing was te denken dat literatuur de problemen oplost. Soms lijkt zij dat inderdaad te doen, zoals in de jaren zestig. Maar Ian McEwan suggereert, door er achteraf een roman over te schrijven, hoe de verhoudingen op de langere termijn liggen: literatuur lost problemen niet op, zij leeft ervan.