Olieprijs en dollarkoers

Wat nog niet zo lang geleden onvoorstelbaar was, komt nu snel dichterbij: olie voor honderd dollar per vat. Gistermorgen schoot de prijs van West Texas Intermediate (WTI), de Amerikaanse standaard voor lichte olie, naar 93,22 dollar. Het iets laagwaardiger Brent, de hoeksteen van de Europese handel, steeg naar net boven 90 dollar per vat.

De handel voert tal van redenen aan voor de prijspiek. Mexico sloot door slecht weer afgelopen weekeinde een deel van zijn productie. In Nigeria blijft het onrustig door onder meer ontvoeringen van medewerkers in de olie-industrie. Turkije zinspeelt op militaire acties tegen Koerdische rebellen binnen de grenzen van Irak. En de Amerikaanse retoriek tegen Iran neemt toe. De voorraden in vooral het Westen zijn, met de winter in aantocht, bovendien relatief laag.

Dat klinkt op het eerste gezicht allemaal aannemelijk als verklaring. Maar geopolitieke spanningen zijn er altijd, en er is wel vaker sprake geweest van krappe voorraden. Nog maar vier jaar geleden, ten tijde van de Amerikaanse inval in Irak, stemde de OPEC, de organisatie van olie-exporterende landen, haar productie nog af op een richtprijs van tussen 22 en 28 dollar per vat, en toonde zich er beducht voor dat de prijs tot daaronder zou afkalven.

Er is dus meer aan de hand. De opkomende machten in de wereldeconomie, met name China, groeien snel en gebruiken in verhouding tot hun productie veel olie. De mondiale oliemarkt kenmerkt zich door een scherpe onderlinge afstelling van vraag en aanbod, zodat een structureel hogere vraag, hoe bescheiden ook, grote prijseffecten kan opleveren. Het is om die reden dat de hoge olieprijs nog niet voor een wereldwijd alarm heeft gezorgd. Olie is zo bezien duur doordat het goed gaat met de wereldeconomie, niet doordat het zoals bij vorige prijspieken, slecht gaat in de wereldpolitiek.

Maar ook de opkomst van China en India is niet van vandaag of gisteren. De hevigheid van de huidige prijsstijging van olie heeft daarom een extra verklaring nodig, en die kan worden gevonden in de handel zelf. Olie wordt nog steeds hoofdzakelijk afgerekend in Amerikaanse dollars, en die rekeneenheid staat steeds verder onder druk. Gisteren stond de dollar op de valutamarkt op een nieuw dieptepunt: ruim 1,44 dollar per euro. Tegenover de Canadese dollar is de laagste koers in 33 jaar bereikt. Veel andere landen die tot voor kort hun munt aan de dollar koppelden, kunnen een vaste band met de dalende Amerikaanse valuta niet langer volhouden.

Zo bezien weerspiegelt de stijging van de olieprijs voor een belangrijk deel de daling van de Amerikaanse dollar. Een vergelijkbaar effect is terug te vinden in de sterk gestegen koers van onder meer goud, dat eveneens in Amerikaanse dollars wordt afgerekend. De valutamarkt is te onvoorspelbaar om er ál te vergaande conclusies uit te trekken. Maar één conclusie mag onderhand wel: na een heerschappij van zes decennia is de dollar vandaag niet langer de maat aller dingen.