Nederland top met werkers in cultuur

Nederland telt het hoogste percentage werknemers in de culturele sector van de Europese Unie. Ook de in de boekensector scoort Nederland hoog. Met Scandinavië hoort ons land bij de culturele top van de EU.

Dat blijkt uit gisteren gepubliceerde cijfers van Eurostat. Volgens het Europese bureau voor de statistiek werkten in Nederland in 2005 305.800 mensen in de culturele bedrijvigheid, 3,8 van de totale werkgelegenheid.

Uit de statistische gegevens over de culturele economie blijkt dat in de Europese Unie in totaal vijf miljoen mensen werkzaam zijn in de culturele sector. Dat is 2,4 procent van de totale Europese beroepsbevolking.

Nederland heeft volgens Eurostat het hoogste percentage theaterbezoekers van de EU (58 procent van de respondenten; EU-gemiddelde 32 procent). Het economische gewicht van uitgeverijen van boeken, tijdschriften en kranten is in Nederland het één-na-hoogste van de EU: 4,5 procent van de totale industriële bedrijvigheid. Alleen de uitgeverssector van Groot-Brittannië heeft een grotere omvang met een aandeel van 5,5 procent van de Britse industrie.

Uit de statistieken blijkt verder dat Denemarken op alle criteria voor participatie aan culturele activiteiten (met uitzondering van het theaterbezoek) hoger scoort dan Nederland. Denen kijken meer naar culturele programma’s op tv, lezen meer boeken, bezoeken meer historische monumenten, gaan vaker naar de bioscoop, bezoeken vaker musea, gaan vaker naar concerten, ballet- of operavoorstellingen en bibliotheken.

De Scandinavische en de Baltische landen scoren allemaal hoger op de deelname aan culturele activiteiten dan het Europese gemiddelde. Zuid- en Zuidoost-Europese landen – Spanje, Portugal, Italië, Roemenië, Bulgarije en Griekenland – scoren ver onder het Europese gemiddelde voor culturele participatie. Ook het aandeel van culturele werkgelegenheid in de totale werkgelegenheid is in die landen het laagst.

Veel mensen die in de culturele sector werkzaam zijn, doen dit op basis van tijdelijke arbeidscontracten (16 procent) of als zelfstandigen (bijna 30 procent). In Nederland liggen deze percentages nog hoger dan gemiddeld (respectievelijk 20 en 35 procent).