Jim de Groot laat vooroorlogs cabaret met hart en ziel herleven

Voorstelling: De kleine man, door Jim de Groot & de Matangi’s. Regie: Gerardjan Rijnders. Gezien: 29/10 in de Schouwburg, Leiden. Tournee t/m 14/3. Inl. www.grootwitteveen.nl

Zelden zo’n vol toneel gezien: een tweezitsbank, een radiomeubel, een staande schemerlamp, een kamerscherm, een krantenbak, een paar kastjes en andere bric à brac, en dan ook nog de muzieklessenaars voor het strijkkwartet Matangi. Aldus de huiselijke omgeving voor De kleine man, waarin Jim de Groot nummers zingt („bijna allemaal mega-hits”) uit de jaren 1890 tot 1930. Waarom het precies dat tijdvak moet zijn, is de vraag. Maar wel staat vast dat hij zich in het klassieke Nederlandse lied heeft verdiept sinds hij in 2005 bij Het Vervolg meespeelde in het stuk Mensch durf te leven over de vooroorlogse cabaret-icoon Jean-Louis Pisuisse.

Kuierend over dat volle toneel - in een gestileerde mise en scène van regisseur Gerardjan Rijnders - laat De Groot goed horen hoe serieus hij dat repertoire wil nemen. Bij hem is niets te horen van de makkelijke ironie waarmee anderen wel eens zo’n liedje aanheffen. Hij zingt ze met hart en ziel, de nummers van Pisuisse, Speenhoff, Louis Davids en anderen – soms koddig, soms sentimenteel, soms militant tegen misstanden, maar altijd welgemeend. Speenhoffs smartelijke Jantje’s broekie is hier een felle aanklacht tegen de armoede en het zotte Konstantinopel („let op hoe ik de Turkse hoofdstad zonder fouten spel”) klinkt nu des te zotter. Een hoogtepunt is het tweedelige Poëzie en proza bij de thee van Pisuisse, dat eerst over het Indische theeplukstertje Sarina gaat en later over een thee drinkende tante in het burgerlijke Holland. Raadselachtig is alleen het jazzy Blue skies van Irving Berlin, dat weliswaar uit 1927 stamt, maar natuurlijk niets met het Nederlandse lied te maken heeft.

En dat alles wordt treffend geïllustreerd met archieffilmpjes op een projectiedoek, waarop trouwens ook vader Boudewijn de Groot nog een verrassend stukje meezingt.

De begeleiding van het Matangi-kwartet, af en toe versterkt door bas en drums, blinkt uit in sfeerverhogende precisie – staccato in de strakgespannen nummers en sierlijk wiegend in de lyrische melodielijnen. Als een authentiek salonstrijkje uit de dagen dat die liedjes voor het eerst werden gezongen.

Zelf is Jim de Groot op zijn best in de nummers die hij met flair en hartstocht de zaal in kan slingeren. In de romantische en idyllische nummers heeft hij niet altijd voldoende adem – misschien te schor gezongen – om de laatste noten ongeschonden te halen. Maar dat doet nauwelijks iets af aan zijn oprechte ode aan dat veelal vergeten repertoire. Door de energie die hij eraan meegeeft, komt het vaak weer volop tot leven.