Godsdienstvrijheid kunnen we niet missen

Volgens Paul de Beer kan de vrijheid van godsdienst wel uit de Grondwet geschrapt worden. Maar dat is een vergissing, vindt Roel de Lange. De overheid moet zich wel met religie inlaten.

Als men op het publieke debat afgaat, lijkt het wel of tegenwoordig iedere migrant een moslim is. Hierbij dreigen elementaire inzichten omtrent de bescherming van fundamentele rechten uit beeld te verdwijnen.

Dat geldt ook voor de bijdrage van Paul de Beer (NRC Handelsblad, 27 oktober) over godsdienstvrijheid en uitingsvrijheid, een reactie op een stelling van Paul Scheffer over het gelijkheidsbeginsel. Het artikel van De Beer bevat twee stellingen. Ten eerste dat „de overheid zich niet moet uitlaten over godsdienst”. En ten tweede dat de godsdienstvrijheid wel uit de Grondwet geschrapt kan worden, omdat de uitingsvrijheid voldoende bescherming biedt voor godsdienstige uitingen.

Met de eerste stelling blijkt De Beer te bedoelen dat overheidsorganen geen eigen interpretatie van religieuze voorschriften mogen geven. Dat is wat anders dan dat de overheid zich niet over godsdienst zou mogen uitlaten. Immers, zich uitlaten over godsdienst doet de overheid voortdurend en dat kan ook niet worden vermeden. Vrijwel alle voorschriften die door wetgevers worden opgesteld, hebben direct of indirect repercussies voor religies of levensbeschouwingen. Een verbod op voorbehoedmiddelen en strafbaarstelling van homoseksuele contacten zijn voorbeelden uit het recente verleden. Aan de zondagse winkelsluiting wordt getornd.

Bij het stellen van voorschriften zal de wetgever zich rekenschap geven van de voorzienbare effecten. Dat is niet alleen onvermijdelijk, maar ook nodig wil de wetgever in contact blijven met de belangrijkste overtuigingen die binnen de bevolking bestaan – zowel de religieuze als de niet-religieuze overtuigingen, wel te verstaan. Dat de wetgever die gelijk moet behandelen vloeit voort uit artikel 6 van de Grondwet, waarin godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen met elkaar op één lijn gesteld worden.

Daarmee zijn we aangeland bij het tweede probleem, dat van de interpretatieve terughoudendheid. Dit is de juridische vakterm voor de opstelling ten opzichte van godsdiensten. Interpretatieve terughoudendheid brengt mee dat de rechter als het enigszins kan, geen eigen uitleg aan religieuze voorschriften geeft.

Een klassieke fout maakte de rechter die de koran opensloeg om te zien wat er geschreven staat over lichaamsbedekkende kleding, in verband met gemengde zwemles. Ook zou de rechter het verkeerd doen als hij bij een kerkscheuring in de bijbel ging lezen om te zien welk kerkgenootschap het gelijk aan zijn kant heeft om op basis daarvan te oordelen wie eigenaar is van het kerkgebouw. De Hoge Raad heeft dan ook in 1957 in een klassiek arrest uitgemaakt dat uitleg van theologische geschriften ter beslissing van juridische vragen niet op de weg van de rechter ligt.

Dat godsdiensten hier anders tegenaan kijken dan de wereldlijke overheid, is bijna per definitie gegeven. Maar dat mag voor de wereldlijke overheid geen reden zijn om partij te kiezen tussen de verschillende godsdiensten en levensbeschouwingen. Het heilzame van de scheiding van kerk en staat is nu juist dat zij het mogelijk maakt om met verschillende levensbeschouwingen en religies samen te leven binnen een statelijk verband.

Dat brengt ons bij de relatie tussen godsdienstvrijheid en uitingsvrijheid. Godsdienstvrijheid omvat veel meer dan de vrijheid tot het doen van uitingen. In het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt dit duidelijker tot uitdrukking gebracht dan in de Nederlandse Grondwet. Het Verdrag rekent tot de godsdienstvrijheid ook de vrijheid om geboden en voorschriften te onderhouden en de religieuze opvatting in praktijk te brengen. Dat is meer, en anders, dan het doen van uitingen.

Onlangs nog oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van Georgische Jehovah’s Getuigen, die tijdens een bijeenkomst waren aangevallen door een groep mensen onder aanvoering van een voormalige orthodoxe geestelijke. De Jehovah’s waren niet bezig zich te ‘uiten’ – zij hielden een besloten bijeenkomst in een niet-openbare ruimte, maar de orthodoxen wel: zij lieten duidelijk blijken dat ze de opvattingen van de Jehovah’s gevaarlijk vonden, en sloegen er flink op los. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de Georgische overheid tekort was geschoten in de bescherming van de religievrijheid van de Jehovah’s Getuigen.

Daarmee levert het Hof opnieuw een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van geloofsvervolgingen. De overheid mag niet alleen zelf geen geloofsvervolgingen plegen, zij moet ook voorkomen dat andere burgers een religieuze groepering of stroming daaraan blootstellen.

Het is een illusie om te menen dat dit zich in Nederland niet kan voordoen, en dat geloofsvervolgingen in dit land tot het verleden behoren. Alleen al daarom moet niet lichtzinnig worden omgesprongen met de grondwettelijke waarborgen voor de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing, die in artikel 6 van de Grondwet zijn neergelegd.

Ook problemen van afbakening van de bescherming van fundamentele rechten worden niet opgelost door de godsdienstvrijheid te schrappen. Afbakeningsproblemen doen zich bij de uitingsvrijheid veelvuldig voor (Is het houden van een vredeskamp een beschermde uiting? De rechter oordeelde van niet) en zullen voor de rechter altijd lastig maar wel hanteerbaar blijven.

Een klassiek probleem is daarbij de grens tussen spreken en handelen: wanneer is een handeling als spreken op te vatten? Wanneer men godsdienstige praktijken allemaal als uitingen wil gaan beschouwen, zoals De Beer voorstelt, wordt dit probleem er alleen maar lastiger op. Maar belangrijker is dat zijn betoog berust op een fundamentele miskenning van wat onder de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging valt. Voor de bescherming daarvan hebben wij Grondwet en Verdrag, en de daarbij horende mechanismen van handhaving en rechtsbescherming, hard nodig.

Prof. mr. R. de Lange is hoogleraar Staatsrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Zie voor meer reacties op De Beer op nrc.nl/discussie