En dat heet dan bewijs

Het belangrijkste bewijs tegen Lucia de B. deugt niet.

Zonder dit bewijs gelden de andere bewijzen ook niet.

Tussen alle harde woorden in het rapport van de ‘Commissie evaluatie afgesloten strafzaken’ staan er een paar die nog harder zijn. Ze gaan over het belangrijkste bewijs tegen de Haagse verpleegkundige Lucia de B. en ze komen uit de mond van Gideon Koren, toxicoloog en hoogleraar aan de universiteit van Toronto, Canada.

Hij zegt dat elke poging om de hoeveelheid digoxine in het lichaam van baby Amber te interpreteren als bewijs van vergiftiging „onjuist en, in alle eerlijkheid, vrij schokkend” is. Iemand gevangen zetten op grond van zo’n onjuiste interpretatie is volgens hem „volstrekt onacceptabel”.

Hadden de rechters die over Lucia de B. moesten oordelen geweten dat er een expert was die zo anders over de vergiftiging dacht dan eerder geraadpleegde experts, dan hadden ze volgens de commissie het bewijs dat ermee geconstrueerd was nooit geaccepteerd. En dan was Lucia de B. niet op grond van dat bewijs tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld.

De dood van baby Amber, in de nacht van 3 op 4 september 2001, was het begin van de zaak Lucia de B. De directie van het Juliana Kinderziekenhuis – daar werkte Lucia de B. toen – deed aangifte van onnatuurlijke dood. In het persbericht dat dezelfde dag werd verspreid stond ‘moord’. Het Openbaar Ministerie betoogde in de rechtszaak die volgde, in maart 2003 in Den Haag, dat Lucia de B. Amber opzettelijk een overdosis van het hartmedicijn digoxine had gegeven. In het lichaam van de baby waren de sporen ervan gevonden.

De rechters vonden dat overtuigend en in juni 2004, toen de zaak in hoger beroep diende, trok ook de advocaat van Lucia de B. – Stijn Franken – het niet meer in twijfel. Niemand had Lucia de B. de digoxine zien toedienen en zelf heeft ze altijd ontkend dat ze het heeft gedaan. Maar de rechters – van de rechtbank en van het hof – oordeelden dat de omstandigheden zo verdacht waren en de aanwijzingen zo sterk, dat zij het wel gedaan móést hebben.

Toen de moord op Amber bewezen werd geacht, waren daarmee zes andere moorden en drie pogingen daartoe volgens de rechters ook bewezen. De rechters maakten gebruik van het zogenoemde schakelbewijs: als zes moorden zonder bewijs op dezelfde manier zijn gepleegd als één moord mét bewijs, kan dat ene bewijs ook gelden voor die zes moorden. De Hoge Raad, die in maart 2006 oordeelde over de juridische houdbaarheid van het arrest, zag geen bezwaren in deze bewijsvoering.

Maar wat als het bewijs voor de eerste moord niet blijkt te kloppen? Dan klopt het ook niet voor de andere moorden. En daarmee, zegt advocaat Stijn Franken, is de hele bewijsvoering weg. Lucia de B. moet worden vrijgesproken.

Dat hadden Ton Derksen en Metta de Noo ook bedacht en daarom hebben zij zich vanaf het begin van hun pogingen om Lucia de B.’s onschuld aan te tonen op dat eerste bewijs gericht. Ton Derksen is wetenschapsfilosoof, oud-hoogleraar in Nijmegen. Metta de Noo is verpleeghuisarts. Zij begonnen in 2004, toen de zaak in hoger beroep diende, te betwijfelen of Lucia wel een eerlijk proces kreeg.

Ton Derksen schreef een boek over de zaak, een ‘reconstructie van een gerechtelijke dwaling’, en daarin laat hij zien hoeveel tegenargumenten er zijn tegen vergiftiging met digoxine. Hij laat ook zien dat het Nederlands Forensisch Instituut cruciale testuitslagen niet op tijd doorstuurde naar het hof, waardoor ze ook geen rol meer konden spelen in de uitspraak.

Van het statistisch onderzoek dat in de zaak gedaan werd – zoveel doden bij één verpleegkundige, dat kon toch geen toeval zijn – laat Ton Derksen in zijn boek niets heel. De uitslag van zo’n onderzoek is afhankelijk van de premissen. Als die verkeerd zijn, is alles wat eruit volgt onzin.

Derksen richtte zich vorig jaar met zijn boek tot de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken: hadden politie en Openbaar Ministerie de zaak Lucia de B. wel goed onderzocht?

De conclusie van de commissie is nu dat zich ‘fundamentele tekortkomingen’ hebben voorgedaan in de opsporing en de presentatie van het bewijs. Ook de commissie vindt dat het statistisch onderzoek niet deugde en dat iedereen zich heeft laten leiden door ‘onderbuikgevoelens’.

Toen er een moord was, moest er snel een dader zijn. Ineens wisten allerlei mensen te vertellen dat Lucia de B. zich altijd al zo verdacht gedroeg. Omdat er geen bewijs was dat zij werkelijk de dader was, werden er andere gevallen bij gezocht. Dat waren eerst geen moorden, maar toen opeens wel. Zo is het volgens Ton Derksen gegaan. En de commissie geeft hem hierin gelijk.