Bij Van de Velde hangt o speels tussen h en m

Tentoonstellingen: Henry Van de Velde en het boek, t/m 6/1 in Meermanno, Museum van het Boek, Prinsessegracht 30, Den Haag. www.meermanno.nl (22/11 12u30. lezing Max van Rooy, 30/11 rondleiding.Otto van Rees als illustrator, t/m 6/1 in Museum De Wieger, Oude Lieselseweg 29, Deurne, open di. t/m zo. 12-17.00 uur (www.dewieger.nl)

Boekkunst, het klinkt als een tegenstrijdigheid. Het is een woord ook dat, sinds het vak van grafisch vormgever bestaat, eigenlijk niet meer wordt gebruikt. De grote Belgische art nouveau architect en kunstnijveraar Henry Van de Velde (1863-1957) noemde een boek „een monument van de geest”. Zijn eigen boekontwerpen uit de decennia rond 1900 zijn topstukken van vormgeving. Hoger kan het boek als kunst niet stijgen.

Van de Veldes abstracte versieringen in goud of in subtiele rode tinten op leder, perkament en handgeschept papier zijn een lust voor het oog. De vorm van de ornamenten sluit naadloos aan bij de door de kunstenaar in dezelfde tijd ontworpen kandelaars, lampen, zilveren vorken en lepels, meubels en japonnen. Met zijn vormgeving had Van de Velde ook een ideologisch doel: hij wilde de Nieuwe Mens op een hoger plan brengen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij onder meer het werk van Friedrich Nietzsche in overrompelend mooie en consequente jasjes heeft gestoken. Abstract, een beetje wulps zijn de schutbladen en banden die nu in het Museum Meermanno in Den Haag zijn tentoongesteld. Maar de golvende lijnen, hoe absurd ook, blijven altijd binnen het door de kunstenaar vastgestelde kader. De letters zijn strak, supersimpel, nooit standaard; een o kan nog zo speels tussen een kromme h en een schuin oplopende m hangen, de woorden blijven altijd in één oogopslag te lezen.

Wat een kunstenaar. Wat een boekkunst. De bezoeker krijgt er een plechtig gevoel bij als hij langs de vitrines met het werk van Van de Velde in het Meermanno loopt. Je beseft dat het lezen van die boeken een ritueel moet zijn geweest waarvoor je minstens eerst je handen moest wassen.

Het tegendeel gebeurt bij een tentoonstelling met boeken en illustraties van een mindere god op dit gebied in Deurne. De illustraties van de Nederlandse schilder Otto van Rees (1884-1957) spreken juist tot de verbeelding en nodigen uit tot lezen, bladeren en snuffelen. Van Rees was in het eerste deel van zijn leven vooral avant-gardist. Hij was de zoon van de anarchist Jacob van Rees, die in Laren onder meer de Humanitaire School oprichtte. Zoon Otto trok in 1904 naar Parijs, waar hij in het bekende ateliercomplex Bateau Lavoir op Montmartre in de kring rond Picasso en Braque terechtkwam. Hij ging zich als kubist ontwikkelen, werkte nog een tijdje luministisch, expressionistisch en zelfs abstract. Op een gegeven moment bekeerde Van Rees zich, zoals zo veel kunstenaars in de jaren twintig, tot het katholicisme. Langzamerhand werd zijn werk steeds klassieker, behoudender, zelfs al verbleef hij regelmatig in het nieuwlichtersbroeinest Ascona in Zwitserland. Wel bleef hij altijd veel contact houden met moderne schrijvers. En juist in zijn werk voor hen bleef hij fris. Als illustrator is Van Rees opvallend doeltreffend. Hij had niet dezelfde ambities en ook niet dezelfde mogelijkheden als een figuur als Van de Velde, die ook aan verschillende opleidingen verbonden was. Van Rees moest het hebben van zijn zwierige lijnen, vereenvoudigde figuren. De kleine dichtbundels (bijvoorbeeld Liefde en honger van de Rus Taloff uit 1921), de biografieën, tijdschriften en reisbeschrijvingen die Van Rees illustreerde, ze horen in het museum waarin ze nu tentoongesteld zijn: De Wieger, het huis waar de legendarische arts en schilder Hendrik Wiegersma in het interbellum zijn vriend Van Rees en vele andere kunstenaars en schrijvers in een kleine kolonie om zich heen verzamelde.