Prinsen komt van heel ver terug

Schaatser Tom Prinsen werd bij de NK afstanden vierde op de vijf en tien kilometer.

Na een slechte periode van drie jaar plaatst hij zich weer voor wereldbekerwedstrijden.

Stralend zit Tom Prinsen zaterdagmiddag in de lobby van het hotel. Uurtje gefietst, kop thee in de hand. De avond ervoor is de 25-jarige schaatser uit de Telfortploeg met een vierde plaats op de vijf kilometer eindelijk teruggekeerd in de top. Een dag later zal hij ook vierde worden op de tien kilometer. Voor het eerst sinds drie jaar plaatst Prinsen zich daarmee weer voor wereldbekerwedstrijden.

„Hoe zag ik eruit op televisie”, vraagt hij nieuwsgierig. Stralend als vanouds, is het antwoord. „Mooi. Zo ben ik ook. Je beseft op dat moment hoe knetterhard je er voor hebt gewerkt in de zomertraining. En in de zomertraining van het jaar ervoor. Eindelijk komt het er uit. Ik ben van heel ver gekomen.”

Twee jaar geleden stond Prinsen bij de NK afstanden sip te kijken hoe zijn toenmalige TVM-ploeggenoten Carl Verheijen en Sven Kramer de vijf kilometer domineerden. Zelf eindigde hij, net als vorig jaar, als negentiende. „Ik heb moeilijke momenten gekend, ja. Vorig jaar december vooral. Dan rijd je een race en het komt er maar niet uit. Waar doe ik het allemaal voor, denk je. Ik heb ook zoveel tegenslag gehad. M’n moeder overleed, ik ben twee keer geopereerd aan mijn liezen, arm uit de kom. Dan ga je nadenken. Zo van: als er nu nog iets komt, ben ik blijkbaar niet gemaakt voor deze sport.”

In maart 2002 kwamen van over de oceaan weer eens toptijden aangewaaid. Ene Tom Prinsen uit Enschede had in Calgary juniorenwereldrecords gereden op drie en vijf kilometer. Net als grote talenten Falko Zandstra, Bob de Jong of Mark Tuitert vóór hem. Er volgde meteen een contract bij de commerciële ploeg van DSB, een vlotte doorbraak bij de senioren. Op 16 november 2003 verbaasde de debutant de schaatswereld met een geweldige tien kilometer bij wereldbekerwedstrijden in Erfurt. „Met een gelukje mocht ik meedoen, en ik was er op dat moment precies klaar voor.”

Later dat seizoen werd Prinsen op z’n eerste WK allround zesde, in het Vikingskipet van Hamar waar de Amerikanen Chad Hedrick en Shani Davis de jarenlange Nederlandse hegemonie doorbraken. „Toen wist ik wel dat het in me zat, je wordt niet zomaar zesde op een WK. Na dat seizoen kon ik naar TVM.”

Bij de succesploeg van coach Gerard Kemkers had de ongecompliceerde allrounder moeite om zich aan te passen. Niettemin kondigde de sponsor hem na het eerste jaar samen met Sven Kramer aan als ‘de toekomstige toppers van het allroundschaatsen’.

Waar Kramer doorgroeide tot beste schaatser ter wereld zakte Prinsen in het olympisch seizoen 2005-2006 steeds verder weg. Achteraf weet hij precies waarom. „Ik ga niet zeggen dat de trainingsaanpak bij TVM niet goed is. Maar misschien heeft het voor mij iets minder gewerkt. Ik ben een type dat traint zoals hij wedstrijden rijdt. Als ik ergens aan begin, wil ik het onderste uit de kan halen. Ik doe er uit mezelf al een schepje bovenop. Als er dan iemand langs de kant mij staat op te jutten, komt er nog een schepje bovenop. Zo heeft me dat letterlijk de kop gekost.”

Hij wil niemand een verwijt maken. „Het heeft alles te maken met zelfkennis. Achteraf kan ik me wel voor de kop slaan. Als je dingen gaat doen waarvan je achteraf zegt dat je het beter niet had kunnen doen, ligt het verwijt bij jezelf. Tenslotte ben je zelf verantwoordelijk. Het is een heel duidelijke en dure leerschool geweest. Ik heb nu thuis een briefje op de koelkast hangen: trainen heb je zelf in de hand, werk jezelf niet over de kop.”

Voorbeelden genoeg van talenten die na zo’n lange inzinking niet meer terugkeerden op hun hoge niveau. Coach Ingrid Paul geloofde in Prinsen en haalde hem in de zomer van 2006 naar Telfort. „Ik wist dat Tom een jonge vent was die een stoot kon hebben. In de jeugd heeft zijn enkel er een keer bijna afgelegen en toch kwam hij terug. Hij heeft een harde kop en een lang lijf vol power. Die moeten we terug op niveau kunnen krijgen, dacht ik.”

Toch schrok Paul vorig seizoen van zijn niveau. „Tom kan niet eens onze sprinters volgen als ze een duur-blokje doen”, zei ze destijds in Inzell. „Ik wist dat het tijd zou kosten om terug te komen op het niveau van drie jaar geleden”, zegt ze nu. „We zijn erin blijven geloven en hebben keihard aan de basis gewerkt. Tom was te veel op zoek naar het goede gevoel. Maar ik zeg altijd: feeling easy makes no one faster. Vorig jaar hebben we in eerste instantie getraind om hard te kunnen trainen, dit jaar trainen we weer om te racen.”

Met als eerste resultaat een goed NK afstanden, met twee vierde plaatsen op de lange afstanden en een zevende plaats op de 1.500 meter. En zowel coach als schaatser weten dat het nog veel beter moet en kan. „Er zit nog genoeg marge”, klinkt het in koor. „Je kunt een auto hebben met een hartstikke dikke motor”, legt Prinsen uit. „Maar als je die niet fine-tuned, heb je er niks aan. Dat was bij mij het verhaal. Ik heb een hele dikke vette motor. Tenminste, hij was heel vet. Maar van finetuning was geen sprake meer. Nu is de motor misschien iets kleiner, maar wat erin zit komt er weer uit. Van hieruit moeten we door bouwen.”

Hij kijkt als weinig anderen uit naar de wereldbekerwedstrijden van half november. „Ik wil de Eindhoven Cup niet tekortdoen, maar in Salt Lake City en Calgary kan ik me eindelijk weer meten met de wereldtop. Ik draai weer mee in het circuit. Wedstrijden rijden, week na week, daar word ik beter van. Krijgt mijn moeder toch gelijk. ‘Wat in het vat zit, verzuurt niet’, zei ze altijd.”

Schaatstitels: pagina 14