‘Kwasi en Kwame’ is prettig soort opera

Kwasi (Mitchell Zhangazha) en Kwame (Nathan Musoki) spelen schaak onder leiding van Van Drunen (Philip Sheffield) Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen Alphen a/d Rijn, 17-10-07. Beeld van de repetitie van de opera Kwasi en Kwame bij het Onafhankelijk Toneel. Foto Leo van Velzen NrcHb. Japin Velzen, Leo van

Voorstelling: Kwasi en Kwame door Opera O.T. en Domestica Rotterdam o.l.v. Wim Steinmann. Muziek: Jonathan Dove, libretto: Arthur Japin, regie: Mirjam Koen en Gerrit Timmers. Gehoord: 26/10 Rotterdam. Tournee t/m 27/5. Info: www.ot-rotterdam.nl

Zwart of wit? De symboliek ligt er dik bovenop als de jonge Ashanti-prinsjes Kwasi en Kwame van een Nederlandse afgevaardigde kleur moeten kiezen voor een spelletje schaak. De opera, gebaseerd op Arthur Japins succesvolle roman De zwarte met het witte hart (1997), vertelt het waargebeurde verhaal van hun gedwongen migratie naar Nederland in 1837, en de tijdloze problemen die zich voordoen bij hun poging tot assimilatie (Kwasi) of identiteitsbehoud (Kwame).

Japin bewerkte zijn roman zelf tot libretto, met gevoel voor poëzie en theater, maar soms ook als de schrijver die te veel dierbare scènes wil handhaven. Een ander zou het wellicht kernachtiger hebben gedaan en bijvoorbeeld het lange ‘Afrikaanse’ begin hebben overgeslagen.

De Engelse componist Jonathan Dove, die de muziek schreef, is in eigen land een bekendheid. Zijn bescheiden roem in Nederland dankt hij vooral aan de ‘vliegveldkomedie’ Flight, over een asielzoeker tussen Westerse reizigers – in 2001 te horen bij de Reisopera. Voor Kwasi en Kwame componeerde hij een hypertoegankelijk mengsel van Glass- en Adams-achtig minimalisme vol herhaalde patroontjes in het orkest en makkelijk in het gehoor liggende zanglijnen.

De verschillende locaties kleurt Dove met lokale klanken: quasi-Afrikaanse marimba’s, Hollands klokgebeier en Indonesische gamelan. Volgens een afgezaagde traditie in de Westerse kunstmuziek staan vijftonige toonladders (de zwarte toetsen op de piano) hierbij voor het ‘exotische’. Helaas doet Dove vervolgens weinig om zulke clichés op hoorbare wijze muziekdramatisch te ontwikkelen, al laat hij in de tweede akte wat meer dissonantie en ondermijning toe.

Het Onafhankelijk Toneel, dat met Kwasi en Kwame zijn tiende grote operaproductie maakt, levert een sterke prestatie, samen met het energiek spelende Domestica Rotterdam. Regisseurs Timmers en Koen plaatsen het verhaal in een transparante setting, waarbij ook het verrijden van de net-niet abstracte decoronderdelen onderdeel van het schouwspel is.

Van de zangers maakt met name Philippe Do indruk in zijn bijrol als Indische knecht Ahim. Innemend zijn ook de zingende kinderen – de Delftse schoolklas herinnert aan Writing to Vermeer van Andriessen en Greenaway. De volwassen Kwasi en Kwame, Hans Voschezang en Brian Green, stralen in hun monologen. En dat bas Hubert Claessens, als de foute Cornelius, na afloop boegeroep oogstte, bewijst vooral dat hij overtuigend acteert in dit eigentijdse muziektheater op instapniveau.