‘Ik pak een lied en klei het in mijn vorm’

In de nieuwe show van Wende Snijders draait alles om het lied Mensch durf te leven.

„Je mag niet lui zijn, niet verdorren, je moet het leven serieus nemen.”

Wende Snijders is zangeres, en ze is ook iemand met een laptop. Het ding staat op een lage tafel, ze moet door haar knieën als ze er iets mee wil. Dat gaat soepel. Wende Snijders heeft behalve duizenden uren zang ook een ontelbaar aantal uren dans gestudeerd, en zoiets beklijft. Hurkt ze neer, dan doet ze dat goed. Als ze vuilniszakken van de trap sjouwt waarschijnlijk ook, maar dat is een ander verhaal. Want dat hurken bij die laptop gebeurt op het podium, aan het begin van haar nieuwe show Wende. Dit is een try-out.

Wat ze op die laptop doet, wordt achter haar geprojecteerd. De pianist speelt Ravel, Wende associeert de muziek met New York. Ze laat foto’s zien. Een wolkenkrabber, een peuter, de zon die ze in het water zag schijnen. Ze komt overeind, doet kort het verhaal van haar carrière, die een jaar of vier geleden ontbrandde. Hoe die groeide. Intussen overleed haar vader. En is ze vier relaties verder.

Hoe groei met iemand op de loop kan gaan, dat houdt Wende Snijders (28) bezig. Dat bleek op een herfstig terras in het drukke oosten van Amsterdam waar ze bivakkeert op een geleende etage. Begeleid door het gegier van trams en ander verkeer praatten we over zingen en chansons, over leren en kiezen. „Ja, ik groei, en wat doe ik nou?” zei ze. En: „Ik blijf doorgroeien, maar dat kan gevaarlijk zijn.” Want: „Waar groei je naartoe? Als het uit de hand loopt dan kun je in elkaar klappen, zoals Elvis Presley. Groei kan je ook pijnlijk bewust maken van je eigen vergankelijkheid. Ken je de film Être et avoir, over die Franse dorpsonderwijzer? Hij is steeds maar doorgegroeid, hij betekent veel, hij is een held. En dan gaat hij met pensioen. Voor het laatst verlaten er kinderen zijn klas, en dan is alles waar die man voor stond weg.”

Of ze op de première van haar voorstelling ook nog zal verwijzen naar de recente dood van haar vader, is onzeker. „Ik wil laten zien wat hij me heeft geleerd. Maar misschien moet ik dat doen, niet het vertellen. Het gaat erom dat je durft te zijn wie je bent. Mijn vader zei altijd: ‘Doe wat rustiger, Wende, ga eens met vakantie.’ Ik begrijp hem nu. Mijn zingen moet met mijn leven te maken hebben, en daarom moet dat leven ruimte krijgen. Mijn ambitie heeft een lesje geleerd. Als mijn vader niet was gestorven, had ik dat inzicht niet gehad, dan was ik misschien verhard, of snel opgedroogd. Maar je mag niet zeggen dat zijn sterven mij dus heeft geholpen. Hij is dood en ik had hem liever niet verloren.”

Daar staat ze, op een bescheiden podium. Dicht bij haar publiek, niet met een band met accordeon en strijkers, zoals voorheen. Met een trio: bas, piano, slagwerk. „De oervorm van de jazz”, heeft ze me uitgelegd, „voor een sepiagevoel. Ik wil het weer klein en oer hebben. Een grote zaal met tweeduizend man kan veiliger zijn dan een kleine zaal. Daar kun je niet ontsnappen, daar hebben ze je door, als je staat te liegen.”

In een witte badjas gekleed zet ze het eerste nummer in. Vesoul van Jacques Brel. Over willen en niet meer willen, over het verwarrende van verlangen. Het is een tour de force, vol bliksemende zinnen en notengewoel. En Wende? Die doet het voor haar drummer. Ze kijkt hém aan, buigt zich naar hem, zingt hem toe. Wij, haar publiek, doen pas mee bij het tweede nummer.

Haar show zet zich af en stijgt op, met chansons en songs die Snijders tot de hare maakt. Haar zingen is soms fluisteren, maar ze kan ook fel uitvallen. Ze suggereert schorheid. Ze schenkt blauwzuur over de zinnen, ze dempt noten. Ze overmeestert de liedjes met haar geluid.

„Geen gemakkelijk instrument”, karakteriseert ze haar stem, „en ik ga er onzorgvuldig mee om.” Ze bedoelt dat ze geen ascetisch leven leidt. „Ik kan wel altijd pruimensap drinken, maar dan heb ik niks om over te zingen.” Ze steekt nog een sigaret op. „Ik pak een liedje en klei het in mijn vorm. Ik zet het zwaar aan of juist niet. Ik laat een woord in de lucht hangen. Ik sta mezelf meer toe, tegenwoordig, kies meer voor een kopstem, haal het niet alleen uit het middenrif. Dan voel ik het meest, maar ik weet nu dat ik niet altijd zelf hoef te voelen om iets over te brengen. Ik doe mijn best, maar dat hoeft niemand te merken. Bij een te groot vertoon van techniek voelen de mensen in de zaal zich snel ongemakkelijk. Sommige liedjes zing ik zonder na te denken, dan dwing ik mezelf om op de flow te vertrouwen. Dat is eng en het lukt de ene keer beter dan de andere.”

De badjas gaat uit. Wende Snijders staat in haar hemd. Een degelijk wit hemd en een degelijke witte onderboek. Ze beent over het toneel. Ze gebaart met stramme arm. Haar blik schroeit. Ze zingt: Au suivant. Brels treurzang over een legerbordeel, waar een commandant zijn piepjonge soldaten om de beurt bij de hoeren naar binnenjaagt: Au suivant! De volgende! Brel zingt het van binnenuit, als een trillende rekruut die na deze ervaring erotiek nooit meer zal associëren met liefde. Snijders maakt er een bijtende uithaal van naar die commandant en via hem naar de botteriken van de wereld. Snijders: „Brel zingt in Au suivant over angst. Ik over anderen terroriseren, over iets dat nooit mag.” Ze zingt meer chansons van Brel. „Hij is mijn Shakespeare. Hij verwoordt wat ik wil zeggen, wat ik beschouw als de kern van het leven, en wat ik nooit zelf zal kunnen schrijven. In Brels teksten, in zijn performance en in zijn persoonlijkheid herken ik de onvoorwaardelijkheid die ik ook zoek. Nooit maakt hij zich ergens met een jantje-van-leiden van af. Zijn teksten zijn tijdloos en als ze dat niet zijn veranderen ze met de tijd mee. Daar profiteer ik van. Ik trek zijn woorden naar mijn tijd, naar mijn generatie. Ik wil niet Brel zijn, ook niet Edith Piaf en ook niet Liesbeth List. De essentie van hun performance ligt in hun onvoorwaardelijke authenticiteit. Ik moet míjn oorspronkelijkheid laten zien. En ik moet daar net zo ver in gaan als zij.”

Frans is voor Snijders, die van haar zesde tot haar negende in Guinee-Bissau woonde, de taal van haar kindertijd. Het Franse chanson, zegt ze „sluit aan en slaat aan bij mij”. Op de Kleinkunstacademie zat niemand te wachten op die chansons, herinnert ze zich. „Ik had een slechte start, het eerste jaar moest ik overdoen. Ik zong al op de middelbare school. Met dank aan de platenkoffer van mijn moeder was ik op mijn zestiende dol op Je sais comment van Edith Piaf. Maar dat raakte ik kwijt. Pas in het derde jaar begreep ik dat ik zangeres wilde worden.”

Haar keuze voor het Frans, voor Piaf, voor Léo Ferré, voor Aznavour, maakte het niet gemakkelijker. „Ik dacht, láát me nou. Ik ben het debat uit de weg gegaan, ik probeerde tegen het vooroordeel op te boksen door te laten horen wat het chanson interessant maakt. Bij de popmuziek overheerst de muziek. In het cabaret overheerst de tekst. Maar van een chanson als La vie en rose blijft zowel de muziek hangen als die heel mooie tekst. Zulke teksten zijn universeel, ze zitten vol parels.”

Inmiddels heeft Wende Snijders zich zakelijk ontdaan van het witte ondergoed. Er komt zwarte lingerie tevoorschijn, die snel verdwijnt onder een eenvoudige zwarte outfit. Nu is ze op en top de zangeres die elk lied bezit dat er uit haar zal vloeien, in het Frans, het Engels, het Nederlands, en die de zaal domineert met een kattenblik. Ze is serieus en ze is ook mooi. Daar maakt ze geen probleem van. Integendeel, ze zet het in.

„Ik kies de liedjes er niet op uit, maar muziek maakt me sensueel, en dat verberg ik niet. Verleiding vind ik een interessant gegeven. Niet in de zin van: wat ben ik toch een lekker geil wijf. Het is iets dat het leven leuker maakt. Ik provoceer niet, ik zoek de vrijheid om te doen wat ik wil. En er moet altijd wanhoop achter zitten, dat maakt verleiding ontroerend. Het gaat om de spanning tussen ‘ik doe wat ik wil’ en ‘ik doe wat een ander wil’.”

Wie de baas is op het podium is duidelijk. Zij. De musici zijn er om haar te behagen. „De musici en ik scheppen samen een sound. Ik denk snel, en voor twijfel heb ik geen tijd. Ik luister alleen naar een mening die constructief is. Ik moet uitkijken dat ik niet verhard, ik wil niet bazig zijn. Maar deze show heet nu eenmaal Wende. Ik maak ’m, hij draagt mijn naam.”

En soms zet ze een meisjesstem op. Snijders kijkt een beetje vuil en smaalt: „O, gaan we psychologiseren? Dat is geen meisjesstem, dat is een aardige stem. En dat is een gevaarlijk middel. Maar ik ben er nu eenmaal op uit om iemands kracht naar voren te halen. Ik hoop dat ik niet manipuleer, maar inspireer. Ik weet: ik ben God niet. Ik ben supernanny.”

Nu staat ze bij de vleugel. Ze zingt. Brels J’arrive laat ze, soms grommend, varen op de vreemde triomf die hardnekkige twijfel kan voortbrengen. La vie en rose is uit haar keel geen lied van verlangen maar van gevaarlijk leven. Brels zuipschuitenchanson De nuttelozen van de nacht voert ze uit of het ‘de troostelozen van de nacht’ heet. Ze zwalkt, ze kotst, ze weert hulp af („la’ me maar even”). Ze maakt ons medeplichtig want ze geeft de indruk dat ze moederziel alleen is.

Tegen het slot van het programma zingt Snijders Dirk Wittes Mensch durf te leven: ‘Je leeft maar heel kort, maar ’n enkele keer / En als je straks anders wilt, kun je niet meer!’ „Om dat lied draait alles wat ik in deze voorstelling doe. Het zegt dat je geen uitvluchten mag verzinnen, dat je je moet committeren. Je mag niet lui zijn, niet verdorren, je moet het leven serieus nemen, ook al is dat doodeng. Ik schuw de grootheid niet. Ik vergeet de simpelheid niet. Ik hoop dat het me allemaal lukt. Zo niet: dan hoop ik dat ik wat ik nu leer onthoud.”

Wende gaat op 2 november in première, tot 26 april. Zie: www.bvgool.nl of www.wende.nu