Dat onvergetelijke jaar 1937

Afbeelding_023.jpgAan het eind van de middag liep ik langs het Huis aan de Kade, het elf verdiepingen hoge appartementencomplex aan de Moskou-rivier bij de Grote Stenen Brug dat uitkijkt op het Kremlin. Het is een van de meest lugubere plaatsen in Moskou. In de jaren dertig woonde er de elite van de Sovjet-Unie, die in diezelfde tijd voor een groot deel werd uitgeroeid door kameraad Stalin. Met een beetje inlevingsvermogen kun je nog altijd de angst voelen die er toen moet hebben geheerst.

Het sombere grijsstenen gebouw bestaat uit ruim 500 appartementen. Het werd aan het einde van de jaren twintig gebouwd voor hoge ambtenaren, politici, generaals, schrijvers, geleerden, Oude Bolsjewieken. Ze hadden er alle comfort uit die tijd: liften, een warenhuis, een schoonheidssalon, een kleuterschool, een sportzaal, een postkantoor, een garage, een cafetaria, een kliniek, een bioscoop, 24-uurs bewaking door de GPoe, de voorganger van de KGB.

In 1937 was het er ‘s nachts een komen en gaan van zwarte vrachtwagentjes die de bewoners kwamen ophalen om ze naar de kelders van de Ljoebjanka te brengen waar ze op een nekschot werden getrakteerd of gewurgd of doodgeslagen, het was maar hoe Stalin het bevolen had. Ironisch detail is dat op de zijkanten van het laadruim van die vrachtwagentjes het woord Brood stond geschilderd om de indruk te wekken dat hier het belangrijkste levensmiddel van de mens werd vervoerd.

Ook Joeri Trifonov (1921-1981) woonde er als kind en ook zijn vader was een hoge partijfunctionaris die in 1937 werd gearresteerd en geliquideerd. Over die beladen tijd uit zijn jeugd schreef hij een aangrijpende roman met de titel Het huis aan de kade. Het boek dateert uit 1976 en is twee jaar later in een Nederlandse vertaling verschenen, die een paar jaar later wegens gebrek aan Nederlandse lezers is verramsjt. Het huis aan de kade was een van de eerste moderne Russische romans die ik las. Het maakte zo’n indruk op me dat Rusland me vanaf dat moment nog meer fascineerde dan het al deed.

Trifonovs verhaal is typerend voor de gebeurtenissen van toen. Een jonge geleerde, Glebov, wordt voor de keuze gesteld zijn geliefde schoonvader, bij wie hij promoveert, te verdedigen of af te vallen als deze op een zijspoor gezet dreigt te worden. Stel je voor dat jezelf voor zo’n idiote keuze wordt gesteld, wat zou je dan doen? Hem steunen natuurlijk, zeg je in eerste instantie. Maar ja, dan weet je nog niet hoe het onder Stalin ging, toen iedereen elkaar erbij lapte - om zijn eigen hachje te redden of om er beter van te worden. Angst wint het bijna altijd van alles.

Glebov kiest voor het verraad en de professor moet in 1937 zijn mooie appartement aan de kade verlaten (lees: om vervolgens te worden vermoord). Het maakt van Glebov geen sympathieke, maar ook geen onsympathieke figuur. Want op iedere bladzijde van Trifonovs boek kun je met hem meevoelen en krijg je begrip voor dat merkwaardige menselijke streven om zijn materiële positie te willen verbeteren. En dat is het knappe van Trifonov.

Toen Het huis aan de kade in 1972 in het tijdschrift Droezjba narodov (Vriendschap der volken) verscheen was het meteen een groot succes. De oplage van het tijdschrift moest zelfs worden verhoogd tot 190.000 exemplaren, een record in die tijd. Nog niet eerder was er in de Sovjet-Unie zo over de finesses van het dagelijks leven tijdens de Grote Terreur geschreven, al deed Trifonov dat in versluierde bewoordingen (om de censuur om de tuin te leiden). Maar de gewone Rus die zich de Stalinterreur kon herinneren begreep alles en las door de aesopische taal heen.

Tegenwoordig heeft Trifonov een gedenksteen op een muur van het Huis aan de Kade. Afbeelding_024.jpgHierop staat dat hij in ‘dit’ huis zijn roman Het huis aan de kade schreef. De steen met zijn gouden letters ziet er nieuw uit, anders dan die van maarschalk Toechatsjevski, die volgens mij dateert uit de jaren van Chroesjtsjovs destalinisatie en al behoorlijk verweerd is. Toechatsjevski moest er in 1937 ook aan geloven.

Het deed me goed om te zien dat zowel Toechatsjevski als Trifonov worden herdacht. In het Rusland van Poetin wordt tenslotte veel gedaan om de Stalintijd als een doodgewone periode in de Russische geschiedenis voor te stellen. ,,In Amerika vonden in die tijd veel ergere dingen plaats”, heeft Poetin afgelopen zomer nog gezegd toen hij een nieuw instructieboek voor geschiedenisleraren presenteerde. In dat boek werd slechts in een regel iets gezegd over het 20ste partijcongres van 1956 toen Chroesjtsjov bekendmaakte welke grote misdaden er onder Stalin waren gepleegd.

Ook de massamoord door het Rode Leger op Poolse officieren tijdens de Tweede Wereldoorlog probeert de Russische regering tegenwoordig weer weg te moffelen, net als in de Brjeznevtijd (toen het economisch ook erg goed ging dankzij een olieboom). Geschiedenis is in Rusland blijkbaar een bewerkelijk vak.

Toch kun je niet zeggen dat er in het huidige Rusland slechts plaats is voor één visie op het verleden. Want ondanks dat gelieg van overheidswege ligt de grote boekwinkel bij mij om de hoek vol met nieuwe studies over de Stalinterreur. Het aantal boeken van en over de Romanovs is bijna niet te tellen.

De keizerlijke familie is heilig geworden. In de kerk tegenover mijn huis wordt regelmatig voor de laatste tsaar en zijn gezin gebeden. Ook staat er in het weekend vaak een militair in tsaristisch uniform op wacht, een nationalistische en antisemitische engerd die weer teveel van het goede vertegenwoordigt. Maar als de Russische burger wil weten ‘wie es gewesen’ is, dan wordt het hem niet moeilijk gemaakt.

Misschien is dat ook een van de redenen waardoor de ouderen tegenwoordig durven te vertellen over vroeger. Zo legt mijn hoogbejaarde vriendin Aleksandra Aleksandrovna me regelmatig uit hoe fijn ze het vond in de jaren dertig. De prijzen gingen ieder half jaar omlaag en de leider van het land was de beste ter wereld. Van de terreur heeft ze, zoals talloze andere Sovjet-burgers, niets gemerkt. Om de eenvoudige reden dat in haar eigen omgeving niemand werd gearresteerd. Voor de politieke processen interesseerde ze zich niet. Als Stalin zei dat het boeven waren die veroordeeld werden, dan waren ze dat ook. Toen ze in 1956 ze te horen kreeg wat er werkelijk was gebeurd in dat bloeddorstige jaar, kon ze het aanvankelijk niet geloven.

v_kruge_pervom.jpgOok de Russische staatstelevisie doet sinds een aantal weken mee aan de destalinisatie. Want iedere avond tussen tien en elf is het op het kanaal Rossija smullen geblazen bij de nieuwste aflevering van de verfilming van Solzjenitsyns V kroege pervom (In de eerste cirkel), dat zich afspeelt in een kamp voor geleerden in 1949. De Stalin die erin voorkomt is bijna levensecht en regisseur Panfilov verdient alleen al een Oscar voor de wijze waarop hij het mechanisme van de angst heeft verfilmd.

Schitterend is de scène waarin Stalin zijn minister van staatsveiligheid Abakoemov doodsangst weet in te boezemen tijdens een luchtig gesprekje onder vier ogen. ,,Je krijgt binnenkort weer net zoveel werk te doen als in 1937″, zegt de leider op een gegeven moment, doelend op een nieuwe terreurgolf (dit keer tegen een joodse artsen). De minister gaat vervolgens naar zijn ondergeschikten en geeft die er weer van langs. En iedereen siddert maar voor degene die boven hem is geplaatst, want iedereen heeft wel een likje boter op zijn hoofd. Ook dat is mogelijk in het huidige Rusland, ook dat….

 

.