‘Grote manco’s’ zaak-Lucia de B.

Het belangrijkste bewijs bij de veroordeling van de Haagse verpleegkundige Lucia de B. lijkt verdwenen. Het wachten is nu op een herzieningsaanvraag.

Ze zaten vanmorgen vroeg al met bleke gezichten te wachten in de hal van het parket-generaal in Den Haag: Ton Derksen en Metta de Noo, aanjagers achter een mogelijke herzieningsaanvraag in de zaak Lucia de B. Ze hadden het rapport van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken al gelezen, maar ze mochten nog niets zeggen. Het advies in dat rapport zou pas om half elf tijdens een persconferentie van het College van Procureurs-Generaal openbaar worden gemaakt. Ton Derksen en Metta de Noo dáchten er niet over het embargo te breken, zo kort voor hun nu wel heel waarschijnlijke overwinning.

Een uur tijd kregen journalisten om te lezen en zich op de zeer laat aangekondigde persconferentie voor te bereiden. Een woordvoerder van het college verontschuldigde zich daarvoor. De families van alle overledenen – slachtoffers van moord, volgens uitspraak van 13 juli 2006 van het gerechtshof in Amsterdam – moesten eerst nog worden geïnformeerd over de strekking van het advies.

Of de overledenen wel of geen slachtoffers van moord zijn, gepleegd door de verpleegkundige Lucia de B. – daarover spreekt de Commissie Evaluatie Afgesloten Rechtszaken zich niet uit. De commissie, onder leiding van de Arnhemse advocaat-generaal Jan-Willem Grimbergen, heeft zich alleen gebogen over de vraag of in de strafzaak tegen Lucia de B. ‘ernstige manco’s’ hebben voorgedaan in de opsporing, de vervolging of in de presentatie van het bewijs aan de rechters. Dat is zo door de politiek besloten bij de instelling van de commissie. De rol van de ‘zittende magistratuur’, de rechters, zou buiten beschouwing blijven.

De commissie heeft dus onderzoek gedaan naar de werkwijze van de politie en het openbaar ministerie in de zaak Lucia de B. En daar zitten zulke ‘fundamentele tekortkomingen’ in dat de commissie het College adviseert om bij de Hoge Raad een herzieningsaanvraag te doen. Politie en openbaar ministerie hebben Lucia de B. – nadat de directie van Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag in 2001 aangifte van ‘verdachte sterfgevallen’ had gedaan – te snel als verdachte, en als énige verdachte, is aangemerkt. Er is onvoldoende oog geweest voor alternatieve scenario’s, vindt de commissie ook. En vanaf het begin hebben ‘onderbuikgevoelens’ bij de directie van het ziekenhuis en bij de politie het onderzoek in een bepaalde richting gestuurd.

De statistische berekeningen – ‘kon dit wel toeval zijn?’ – werden gebaseerd op verkeerde informatie en verkeerde definities, volgens de commissie. Over het belangrijkste bewijs in de zaak, de veronderstelde digoxinevergiftiging, is zoveel tegenstrijdige informatie gekomen dat rechters het volgens de commissie nu niet meer als bewijs zouden accepteren. Dit laatste is de grond onder het advies voor de herzieningsaanvraag.

„Uitstekend”, zegt Ton Derksen. Hij schreef een boek over de ‘gerechtelijke dwalingen’ in de zaak Lucia de B. en diende, als hoogleraar, het verzoek tot evaluatie in. „Als het digoxinebewijs vervalt, vervallen alle andere bewijzen ook.” Het rapport ligt nu bij de procureur-generaal. Die besluit naar verwachting binnen enkele weken of hij de raad zal vragen om Lucia de B.’s zaak te herzien.