BinnesteBuiten toont bonte variatie portretten

Tentoonstelling: BinnensteBuiten. Foto’s uit Amsterdamse collecties & archieven. T/m 5 december in Foam, Keizersgracht 609, Amsterdam. Inl 020 5516500 of foam.nl

De stad Amsterdam herbergt een relatief groot aantal fotocollecties. Een keuze uit vier openbare -die van Rijksmuseum, Stedelijk Museum, Stadsarchief en Maria Austria Instituut- is onder de titel BinnensteBuiten momenteel te zien in Fotografiemuseum Amsterdam (Foam). Zo’n 120 foto’s omvat de tentoonstelling, driekwart in zwart-wit, het merendeel uit de tweede helft van de vorige eeuw.

Het geheel biedt een bonte aanblik. Van Johan van der Keuken’s in 1955 spraakmakende maar inmiddels braaf ogende portretten van 17-jarigen tot de indringende close-ups die Koos Breukel in 1996 maakte van een door aids geteisterd mannenlijf. Straatportretten van Ed van der Elsken en Ulay hangen er en straattaferelen van Oscar van Alphen en Dolf Toussaint. Er is werk van inmiddels vrijwel vergeten fotografen als C.A.J. van Angelbeek (1891-1965) en Wolf Suschitzky (1912) en van hedendaagse coryfeeën als Bertien van Manen en Rineke Dijkstra. Een historisch curiosum als het album dat Prins Roland Bonaparte in 1883 liet aanleggen met portretten van ter gelegenheid van een koloniale handelstentoonstelling ‘geïmporteerde’ Surinamers is te zien naast moderne meisjesportretten van Hellen van Meene en Céline van Balen. Het is een variatie die de diversiteit van de collecties weerspiegelt.

Ook al ogen de keuzes soms wat voor de hand liggend (Dijkstra’s moeders met hun pasgeboren kroost, Van Meene’s frêle meisjes), op de kwaliteit van de individuele bijdragen valt weinig af te dingen. Maar die kwaliteit alleen is niet voldoende om de expositie samenhang te geven. Dat lijkt vooral te maken te hebben met het ontbreken van een heldere rode draad bij de selectie.

„De mens in al zijn verschijningsvormen” en „de veelal complexe relatie tussen uiterlijk en innerlijk” vormen uitgangspunt van de tentoonstelling, aldus de zaaltekst. Maar zoiets is te ruim en oppervlakkig om veel houvast te bieden.”

Maar misschien is het juist wel dankzij de willekeur van de keuzes dat opnieuw opvalt hoe eenzijdig de portretfotografie in de loop der jaren lijkt te zijn geworden. Het genre kan terecht ruim worden opgevat zodat ook informele straat- en groepstaferelen ertoe gerekend mogen worden, maar in de praktijk lijkt het fotografische blikveld zich de afgelopen kwart eeuw meer en meer verengd te hebben tot pose en gezicht. Het is een soort standaard geworden die, hoewel technisch vele malen verfijnder, in haar eenvormigheid toch de nodige overeenkomsten vertoont met het burgermansstudiowerk van Jakobus Merkelbach en zijn dochter Mies die tussen 1913 en 1969 de chic van Amsterdam vastlegden (te zien in een filmische compilatie van Kees Hin). Zeker, ook de fotografen van voorheen (Sem Presser, Ad Windig, Ed van der Elsken) maakten regelmatig portretten. Maar wat voor hen een fotografisch facet was (niet meer dan een accent binnen het geheel van een serie of boek) lijkt voor de hedendaagse fotograaf een handelsmerk te zijn geworden.