Bestaan er echt typische ochtend- en avondmensen?

Werner Dierssen uit Amsterdam vindt zijn huisgenoten lui. Dierssen moet voor zijn werk vroeg op en zij, student Marijn te Braake en promovendus Martijn Gosselink, blijven liever liggen. ‘Ho ho, wij zijn avondmensen’, is hun vaste verweer. De huisdiscussie: is dagritme gewenning of bestaan er echt ochtend- en avondmensen?

„De meeste mensen zijn altijdmensen”, zegt Gerard Kerkhof, hoogleraar psychofysiologie en voorzitter van de Nederlandse vereniging voor Slaap- Waakonderzoek. „Zeg maar de helft, die is vrijwel de hele dag actief. Maar er zijn ook mensen die ’s ochtends beter presteren of juist ’s avonds. Beide groepen zijn even groot, zo’n 25 procent, waarvan 5 procent extreem is.”

Onze centrale klok, de zogenaamde suprachiasmatische kern, zit in de hersenen, boven de plek waar de oogzenuwen elkaar kruisen. Maar ieder lichaamsweefsel, zelfs iedere cel, heeft ook een eigen ‘biologisch horloge’, met dezelfde elementen als dit ‘grote uurwerk achter de ogen’ zoals Bert van der Horst, hoofddocent genetica van het Erasmus Medisch Centrum het omschrijft.

„Die ‘klokgenen’ worden periodiek geremd en gestimuleerd door hun eigen eiwitproductie”, zegt Van der Horst. „Samen regelen de genen ritmische lichaamsprocessen zoals de slaap, temperatuur, bloeddruk en de hormoonproductie.”

Bij ochtendmensen wordt bijvoorbeeld het ‘slaaphormoon’ melatonine wat eerder aangemaakt dan bij avondmensen. „Dat zijn echte dauwtrappers, die op een feestje om half elf al knikkebollen”, aldus Kerkhof. De klok of ‘omlooptijd’ van ochtendmensen is ook beter afgestemd op de dag- en nachtcyclus van 24 uur. Avondmensen komen wat later op gang, maar gaan gemiddeld wel iets langer door: 25 uur.

Lui kun je Marijn en Martijn, dus niet zomaar noemen, Werner. Maar als jullie lang genoeg in één huis blijven wonen, kunnen jullie straks samen dauwtrappen. Kerkhof: „Vanaf je 25ste begint de omlooptijd van iedereen heel geleidelijk te versnellen, en word je wat vroeger actief. En zo rond je zestigste is iedereen een ochtendmens.”

Eppo König