Zielige mensen

1418

Op een tekening van de cartoonist Stefan Verwey zie je een kind rechtop in zijn bedje zitten. Aan het voeteneind staat een televisietoestel. Om de hoek, op de gang zit zijn oma voor een camera, met een boek op schoot. De oma zegt: „Er was eens...” en dan komt het verhaal. Over een beeldschone prinses, kabouters, dappere ridders, draken. Vijf weken geleden heb ik een stukje geschreven over wat ik in de etalage van een speelgoedwinkel had gezien. Vooral veel draken, allemaal Made in China, waar ze van draken veel verstand hebben. Ik kreeg de indruk dat ze voor westerse behoeften nog wat waren opgeleukt: nog meer koppen, klauwen, dubbele vleugels. Opleuken betekent over het algemeen: meer van hetzelfde.

Zijn er nog ouders, opa’s en oma’s die de kindertjes uit een gewoon sprookjesboek voorlezen? Dat vroeg ik me toen af, en ik beloofde u, mijn mooiste sprookje van vroeger te vertellen. Dat komt uit Duizendenéén nacht, de grote verzameling oude Perzische verhalen, het eerst vertaald door Richard Francis Burton in 1850. Dat is de ongekuiste editie. In mijn versie ging het allemaal keurig netjes toe, hoewel het aan levenswijsheid niet ontbrak.

In dit verhaal is Sindbad de Zeeman op weg van A naar B. Hij komt bij een doorwaadbare plaats in een woest stromende rivier. Aan de oever staat een oude man, krom en knokig. Hij leunt op een stok. Dat is op de illustratie te zien. Als Sindbad aanstalten maakt naar de overkant te lopen, zegt de oude: „O Sindbad! U kunt zichzelf onsterfelijk maken door mij naar de overkant te dragen”. Sindbad wordt bevangen door medelijden. „Klim maar op mijn rug”, zegt hij en hij hurkt om het de oude zo gemakkelijk mogelijk te maken.

De man kreupelt omhoog en dan voelt Sindbad het onheil. Zijn passagier klimt hoger dan de bedoeling was: op zijn schouders, en klemt zijn knokige knieën om Sindbads nek. Zijn vel is leerachtig hard. Ze bereiken de overkant. „Zo”, zegt Sindbad, „en nu weer eraf!” De oude zegt: „Geen sprake van. Vort!” en terwijl hij zijn knieën nog harder klemt, slaat hij Sindbad met zijn stok tegen de benen. Zo gaat het verder de hele dag. Dan ziet Sindbad een boom met een dikke laaghangende tak. Hij neemt een aanloop, de oude komt met zijn hoofd er tegenaan en valt dood op de grond. Dit probleem is opgelost.

Als kleine jongen werd ik door gemengde gevoelens bevangen. Dat leerachtige vel van de oude man maakte me wel bang, maar dat hij op zo’n manier aan zijn eind moest komen, vond ik zielig. In de loop van de tijd heb ik ontdekt dat het in stad en land wemelt van de zielige mensen. Sommigen zijn zielig en dom, die moet je helpen, maar niet te veel. Anderen hebben van de zieligheid hun bedrijfskapitaal gemaakt. Ze klimmen op je schouders, ze jengelen, tieren, dreigen, je bent hun rijdier geworden, en nergens in de buurt zie je een boom met een dikke tak.

In de Driestuiversopera laat Bertold Brecht de zielige mensen op hun beurt geëxploiteerd worden. Polly Peachum is de koning der bedelaars. Hij verhuurt krukken, lompen, ooglappen, opplakbare zweren aan degenen die het verkiezen als zielepoten door het leven te gaan. Hij maakt ze ten slotte ondergeschikt aan zijn eerzucht. Als de koningin een feestelijke rijtoer door de stad maakt, heeft hij zijn leger gemobiliseerd. Onverzettelijk hompelt het voorwaarts en kruist dan de vorstelijke stoet. Met afgrijzen kijkt de koningin naar deze weerzinwekkende onderdanen en slaat dan haar hand voor haar ogen. Ook zij is gevoelig voor zieligheid maar ze heeft een andere oplossing: ze wil deze treurnis niet zien. En natuurlijk heeft ze dan haar personeel om zich tegen de werkelijkheid te laten beschermen.

Er is nog een verhaal uit Duizendenéén nacht dat ik niet vergeet: dat van de Geest in de fles. Sindbad vindt een fles met een loden stop op het strand. Hij haalt de stop eraf. Daar stijgt de geweldige geest op en zegt tegen Sindbad dat hij hem gaat vermoorden. Waar heb ik dat aan te danken, vraagt Sindbad. De Geest verklaart: toen ik de eerste honderdduizend jaar in de fles had gezeten, heb ik gezworen dat ik van degene die me zou bevrijden, iedere wens zou vervullen. Er kwam niemand. Na de tweede honderdduizend jaar nam ik me voor dat ik mijn bevrijder tot de rijkste mens op aarde zou maken. Weer niemand. Nu, na de derde honderdduizend jaar, wil ik mijn bevrijder vermoorden. Sindbad kan het begrijpen. Maar, o Geest, zegt hij, ik kan niet geloven dat een wezen zo groot als u in zo’n kleine fles past. O nee, zegt de Geest. Dat zal ik je dan laten zien. Hij verdwijnt weer in de fles. Sindbad doet de stop erop en heeft aldus zijn leven gered.

Wat leert deze oude oosterse wijsheid? Dat je voorzichtig moet zijn met zielige mensen. Er is altijd een kans dat ze je als rijdier of trekpaard gaan gebruiken. En als je zo iemand een weldaad bewijst, moet je er rekening mee houden dat je daarmee te laat komt en door hun wraak wordt getroffen.

Rectificatie / Gerectificeerd

P.S.

Vorige week heb ik hier iets geschreven over de Driestuiversopera en daarbij Polly Peachum opgevoerd als de koning der bedelaars. Nee! De koning heet Jonathan. Polly is zijn dochter. Hoewel niet voor de burgerlijke stand trouwt ze met Mackie Messer. Ze zingen een ontroerend liefdesduet, waarvan ik de laatste regels citeer:

„Die Liebe dauert oder dauert nicht.

An dem oder jenem Ort.”

Het huwelijk van Polly en Mackie houdt geen stand.