Wat doen we hier?

Ook de Turkse Nederlandse man moet zich voor zijn 38ste melden voor dienst in het Turkse leger. Zelfs als hij in Nederland beroepsmilitair is. Leidt dit tot een loyaliteitsconflict? „Ik heb niet meegezongen.”

Vijf uur: opstaan. Scheren, kistjes blinkend zwart poetsen, bed en omgeving schoonmaken, naar buiten. Zes uur: istima, verzamelen. De hele kazerne moet geteld, 570 man in totaal. Wie ontbreekt, en waarom? Wachten. Anderhalf, twee uur. Dan: ontbijt. In de rij. Brood, olijven, zitten, praten verboden. Weer naar buiten: istima. Sigarettenpeuken oprapen. Istima. Conferentie: lessen van hoge militairen over de Turkse geschiedenis, de ‘zogenaamde’ Armeense genocide. Istima. En zo voort, en zo verder. Achttien uur per etmaal, vijf dagen per week, drie weken achter elkaar.

Ali Öntas, advocaat te Amsterdam, en Veysel Çelebi, bedrijfskundige te Rotterdam, zijn twee dagen terug uit Burdur, een plaatsje in Zuid-Turkije op een paar uur afstand van de badplaats Antalya. Ze waren er drie weken in militaire dienst, met zo’n 5.500 andere Turken van buiten Turkije. De meesten kwamen uit West-Europa, maar er waren er ook uit China, Japan en de VS. „Het is goed voor je netwerk”, zegt Çelebi (1969). Öntas en hij zijn vrienden, ze gaven zich expres gelijktijdig op. Niet dat ze er zin in hadden. Maar dat had geen van de mannen in Burdur. Öntas (1968): „Vijfenennegentig procent zei: wat doen we hier?’ ”

In Turkije wordt iedereen geboren als soldaat, luidt een oud gezegde. Het leger telt één miljoen militairen op een bevolking van 71 miljoen: binnen de NAVO is alleen dat van de VS groter. In de Turkse samenleving speelt de krijgsmacht een belangrijke rol. Generaals hebben er aanzien en macht, ook binnen de politiek.

Tussen zijn achttiende en zijn achtendertigste jaar moet elke Turkse man zich melden voor een militaire dienst van vijftien maanden. Gewetensbezwaren tellen niet; Turkije kent geen vervangende dienstplicht. Het maakt niet uit of de man in Turkije woont of geëmigreerd is, of dat hij naast de Turkse ook nog een andere nationaliteit heeft: de dienstplicht is deel van het Turks-zijn, en geldt voor iedereen.

Voor een Turkse emigrant is afkopen de enige manier om er deels onderuit te komen. Wie de Turkse staat 5.112 euro betaalt en een militaire basistraining van 21 dagen volgt, heeft ook zijn plicht gedaan. Is de man ouder dan 38, dan betaalt hij 7.668 euro.

In Nederland woonden op 1 januari 2007 47.321 Turkse mannen. De helft daarvan was tussen de 18 en de 38 jaar. Sommigen hebben een sterke band met Turkije – wat niet hetzelfde is als er in militaire dienst willen. Anderen kennen Turkije alleen als vakantieland, of zelfs dat niet. Veel meer dan hun ouders hebben ze zich van Turkije losgemaakt, en een bestaan in Nederland opgebouwd.

Toen Nederland nog de militaire dienstplicht kende, gold die als vervanging voor de Turkse. Maar de dienstplicht werd hier in 1996 afgeschaft, en sindsdien moeten ook beroepsmilitairen in het Nederlandse leger met de Turkse nationaliteit in Turkije in dienst. Om hen tegemoet te komen, stelde het ministerie van Defensie in 2002 een afkoopregeling in: wie bij Defensie komt werken, krijgt een renteloze lening van maximaal 6.000 euro en twintig dagen buitengewoon verlof om de ‘training’ in Turkije te doen. De regeling was vooral bedoeld om meer allochtonen voor Defensie te werven, maar als zodanig werkt het nauwelijks – er maakt jaarlijks maar een handjevol mensen gebruik van.

Hun gevallen spreken wel tot de publieke verbeelding, en vormen regelmatig aanleiding tot vragen in de Tweede Kamer. Afgelopen maandag haalde marineofficier Ergun Cetin, die nu voor Nederland op missie in Afghanistan is, de voorpagina van De Telegraaf. ‘Nederlandse officier dient Turks leger’, luidde de kop. Cetin zelf schrok van het beeld dat de krant opriep, liet hij via Defensie weten. Aan zijn loyaliteit aan Nederland hoeft niet te worden getwijfeld. Hij heeft nog niet besloten of en wanneer hij zijn Turkse diensplicht gaat vervullen. Maar hij wil zijn beide nationaliteiten behouden.

Beleefd

Öntas en Çelebi praten op afstandelijke, licht geamuseerde toon over hun dagen als soldaat. Ze hoesten aldoor. Wie naar Burdur gaat, komt ziek terug, zeggen ze. Je bent constant op de been, en dan al die mannen bij elkaar – welke Europeaan van rond de veertig is daar nou aan gewend? Çelebi: „De commandanten vonden ons watjes. De meesten behandelden ons heel beleefd, maar ze maakten wel een grap: als er gevochten moet worden, dan kiezen we eerst voor de echte soldaten, daarna komen de huisvrouwen, en daarna jullie. We mochten allemaal met drie echte kogels schieten, met een geweer uit de jaren zestig.”

„Ik wil niet in dienst”, zegt Halil Dogan, advocaat en partner bij hetzelfde kantoor als Ali Öntas. „Voor geen enkel land. Als er oorlog komt, weet ik heus wel hoe ik me moet verweren. Maar dienstplicht vind ik een stomme verspilling van mijn tijd.”

Dogan is van Koerdische afkomst. Zijn ouders ontvluchtten Turkije eind jaren zestig. Dogan werd geboren in Duitsland, en groeide daar op totdat het gezin in 1984 naar Turkije terugkeerde. Het was de droom van vader Dogan om weer in zijn geboorteland te wonen en er politiek actief te zijn. In drie jaar tijd woonden ze in vijf verschillende steden, daarna vluchtten ze weer. Dit keer werd het Nederland. Voor Dogan junior werden op dat moment alle banden met Turkije verbroken. „Het is een vreemd land voor mij.” Maar Dogan heeft de Turkse nationaliteit, en dus moet hij in dienst. Voor Turkije, in Turkije.

„Ik ben nu 36”, zegt hij. „Als ik over twee jaar Turkije in wil, word ik opgepakt. Mijn oudere broer kon een paar jaar geleden om die reden niet naar de begrafenis van onze vader, in zijn geboortedorp. Zoiets wil ik niet meemaken.”

Heimwee

De Koerdische mensenrechtenactivist Ayhan Aksozek (1963) vluchtte zestien jaar geleden van Turkije naar Nederland. In Turkije werkte hij als advocaat. Hij liep er naar zijn zeggen groot gevaar door zijn inzet voor de Koerdische kwestie. Dat is nog steeds zo, vermoedt hij. „Als ik in dienst ga, overleef ik dat niet”, zegt Aksozek beslist. „Ik word recht in mijn kop geschoten.” Hij kent verhalen van activistische Koerden die – eenmaal in het Turkse leger – werden ‘teruggepakt’.

Aksozek is bijna klaar met zijn studie rechten in Amsterdam. Als voorzitter van het Koerdisch Nederlands Cultureel Centrum Amsterdam probeert hij dienstplichtige Koerden juridisch bij te staan.

Door de toenemende spanningen tussen Koerden en Turkije is de kwestie dezer dagen extra pijnlijk, zegt hij. Het Turkse leger heeft zijn eenheden sinds kort gemobiliseerd bij de Turks-Irakese grens: klaar om Noord-Irak aan te vallen, een vermeend ‘bolwerk’ van de Koerden en de PKK.

Aksozek is al zestien jaar niet meer in Turkije geweest. „Ik heb vreselijke heimwee. Ik mis mijn ouders, mijn familie. Ik mis de plek waar ik ben geboren, waar ik mijn jeugd doorbracht en voor het eerst verliefd werd. Ik mis mijn land.”

De Europese Unie oefent zware druk uit om de macht van de Turkse legerchefs in te perken, maar desondanks hebben ze nog veel invloed, zegt Nuri Karabulut, voorzitter van de Federatie van Democratische Verenigingen van Arbeiders uit Turkije. Een televisie in de Amsterdamse ontvangstruimte van de vereniging brengt in het Turks het laatste nieuws over de spanningen bij de grens. „Het is alsof Dick Berlijn (de commandant van de Nederlandse strijdkrachten, red.) in zijn eentje zonder ruggenspraak met de minister en de minister president besluit om alle troepen uit Uruzgan terug te trekken. Dick Berlijn zou ontslagen worden als hij dat deed. In Turkije zou het kunnen. Het leger wordt daar nog gezien als de hoeder van de natie. Een minderheid van de Turkse jongeren hier in Nederland wordt ook nog met dat principe opgevoed. Die zijn trots dat ze Turkije mogen dienen.”

Maar als het aan Karabulut ligt, wordt de dienstplicht vandaag nog afgeschaft. „Je hebt geen keuzevrijheid. Er moet meer druk vanuit Nederland en de EU komen om hier een einde aan te maken.”

De dienstplicht, zegt Halil Dogan, „speelt bij ons allemaal voortdurend op de achtergrond. Hoe ga ik het oplossen? Hoe kom ik aan geld om het af te kopen? Wanneer doe ik die training? De neiging is om de zaak zo lang mogelijk in elk geval voor je uit te schuiven, totdat je wel iets móet beslissen. Tot je achtendertigste kun je om uitstel vragen, maar daarna moet je je melden. Vroeger hoorden mensen na hun veertigste op den duur niets meer, dan verviel het. Dat is niet meer zo.”

Voor veel Turken wordt de dienstplicht een acuut probleem als hun ouders ziek worden of gaan sterven. „Ik kan Turkije niet meer in”, zegt Rahmi (42) die niet met zijn achternaam in de krant wil. Hij rolt een sigaret op de stoep in Amsterdam-West. Zijn ouders worden ouder en takelen af. „Ik ben er al zes jaar niet meer geweest. Ik ben bang dat ik word opgepakt als ik bij de grens kom.”

Afkopen van de dienstplicht was voor hem geen optie. „Ik heb al veel schulden, en ik heb twee kinderen van zes en twaalf jaar. Het afkopen kost me bijna 8.000 euro omdat ik ouder ben dan 38. En dan moet ik nog 21 dagen dienen.” Inclusief vliegticket en verblijfskosten moet hij 10.000 euro ophoesten, schat hij.

Hoewel hij „principieel tegen dat militaire gedoe” is, overweegt Rahmi nu toch om alsnog in dienst te gaan. Zijn vader is bereid financieel bij te springen. „Ik wil zo graag mijn familie weer zien.”

Veel Turken in Amsterdam hebben het niet breed, zegt Nuri Karabulut. „De werkloosheid onder hen is drie keer zo hoog als onder autochtone Amsterdammers.”

Ayhan Aksozek heeft principiële bezwaren tegen het afkopen van de dienstplicht. „Dat geld gaat rechtstreeks naar het Turkse leger, dat mijn eigen mensen, de Koerden, ermee onderdrukt. Daar kan ik niet aan meebetalen.”

Voor Halil Dogan zou het probleem opgelost zijn als hij afstand kon doen van zijn Turkse nationaliteit. Hij zou het zo willen. „Het maakt me geen moer uit.” Maar ook dat is moeilijk. De regels zijn vaag, zegt Dogan. Het is een ingewikkelde procedure, die begint met het indienen van een verzoekschrift bij het Turkse consulaat en die jaren in beslag kan nemen. De uitkomst is ongewis. Het niet vervullen van de dienstplicht kon voorheen als reden worden opgevoerd, maar dat geldt niet meer. Ayhan Aksozek heeft geprobeerd om afstand van zijn Turkse nationaliteit te doen, maar zijn verzoek werd geweigerd. „Juridisch kan ik geen kant meer op”, zegt hij. „Nu moet ik wel in dienst.”

Privé-zaak

Is de Turkse dienstplicht voor Nederland een probleem? Nee, zegt het ministerie van Defensie. Daar is men „trots” op z’n allochtone militairen, die „met hun beroepskeuze laten zien dat ze zeer goed geïntegreerd zijn”, aldus een woordvoerder. De Turkse dienstplicht is een privé-zaak, en zolang Nederland en Turkije niet met elkaar in oorlog zijn, is er ook geen staatsrechtelijk probleem.

Nee, zegt ook het ministerie van Buitenlandse Zaken. In een brief aan de Tweede Kamer van afgelopen juni erkende minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen dat de Turkse dienstplicht „in individuele gevallen als een probleem [wordt] ervaren”, maar noemde hij het ook een „verantwoordelijkheid van de betrokkenen zelf”. Van „significante invloed op het integratieproces” was volgens hem geen sprake.

Ja, zeggen Ali Öntas en Veysel Çelebi. De dienstplicht is een probleem. Öntas: „Het zijn volkomen zinloze weken. Niemand wordt er beter van.” En daarbij, zegt Çelebi, speelde zijn geweten in Burdur een paar keer op. De propagandistische toespraken over het grote Turkije kon hij makkelijk naast zich neerleggen, maar bij de marsliederen kreeg hij het moelijk. „Ik heb niet alle teksten meegezongen,” zegt Öntas. „Niets. Maar jij bent lang, je stond vooraan. Je moest wel.” Çelebi: „‘Ik geef mijn leven op voor het land’, ‘Mijn land is ondeelbaar’. Het voelde vreemd. Ik ben opgegroeid met Studio Sport en Sesamstraat. Maar als Nederland met voetbal wint, zing ik ook niet uit volle borst het Wilhelmus.”