Verontreiniging in het water belemmert schoolvorming vissen

Een lichte verontreiniging in het water belemmert het vermogen van vissen om soortgenoten te herkennen. Daardoor zwemmen ze in scholen minder dicht op elkaar. Dat blijkt uit een experiment van een team van biologen onder aanvoering van Ashley Ward van de universiteit van Mount Allison in New Brunswick. Zij toonden aan dat het tandkarpertje Fundulus diaphanus in het aquarium meer afstand houdt van soortgenoten als die kort daarvoor zijn ondergedompeld in water met een lage concentratie 4-nonylfenol. Deze stof wordt gebruikt in sommige schoonmaakmiddelen en als reinigingsmiddel voor rioolwater. (Proceedings of the Royal Society, oktober 2007).

De auteurs wijzen erop dat tandkarpers slechter af zijn als ze minder dicht op elkaar zwemmen. Samenscholen is een strategie tegen roofdieren en biedt voordelen bij het zoeken naar voedsel.

Het onderzoek is belangrijk, omdat het laat zien dat een stof die in lage concentraties misschien niet direct giftig is, toch het gedrag van vissen kan verstoren. Mogelijk doordat de stof de aanmaak van geurstoffen of andere signaalstoffen belemert. Eerder is aangetoond dat signaalstoffen in het water cruciaal zijn voor de onderlinge herkenning van vissen. De stoffen zijn ook onmisbaar voor het bepalen van de hiërarchie en de afbakening van het territorium.

Ward verzamelde 120 proefvisjes in een meer in de buurt van zijn universiteit. Een deel van de visjes liet hij een uur zwemmen in een klein aquarium waarin de chemische stof 4-nonylfenol was opgelost in een lage concentratie (van 0,5 tot 2 microgram per liter). Volgens wetgeving in industriële landen mag de nonylfenol-concentratie nabij de uitgang van riolen 0,5 tot 343 microgram per liter bedragen.

Na de gedwongen onderdompeling mochten de visjes vrij rondzwemmen met schone soortgenoten, eerst in een buis en daarna in een tweede aquarium. In de buis, waar de visjes in tegengestelde richting langs elkaar konden zwemmen, werd duidelijk dat schone vissen de neiging hadden om zich af te wenden van de ‘vieze’ vissen. De vieze vissen hadden zelf geen afkeer van andere vissen; voor Ward een aanwijzing dat er niks mis was met hun waarneming. Ook in het aquarium hadden de tandbaarsjes de neiging om ‘vieze’ soortgenoten te mijden. Ward denkt dat het 4-nonylfenol in lage concentraties misschien aan de visjes plakt en hen belemmert om de geurstoffen af te scheiden die voor communicatie zo belangrijk zijn. Michiel van Nieuwstadt