Stadsmens verovert wereld

Over vijftig jaar woont tweederde van de wereldbevolking in steden. Op den duur misschien zelfs 90 procent. De mens wordt een stedelijk dier.

Dirk Vlasblom

Inwoners van Rome lopen te hoop na het overlijden van paus Johannes Paulus ii. foto reuters Pilgrims crowd a street hours before officials announced they were to close the line to see the body of the late Pope John Paul II. Pilgrims crowd a Rome street hours before officials announced they would close the line to view the late Pope John Paul II at the Vatican, a day earlier than expected, April 6, 2005. Millions of faithful have staged an unprecedented pilgrimage to Vatican City to honour one of the world's most important leaders since he died on Saturday, putting a nearly impossible strain on Rome's crowd control efforts. REUTERS/Paul Hanna REUTERS

Hij is er zelf een, zegt hij: een stadsmens. John R. McNeill (53) is geboren en getogen in Chicago en woont al jaren in Washington D.C. “Ik heb mijn hele leven in steden gewoond. Ik geniet van de hectiek en de afwisseling van het stadsleven.” Hij maakte steden tot onderwerp van studie toen hij een jaar of wat geleden las dat stedelingen in de wereld bijna in de meerderheid waren. Dat is intussen het geval; volgens demografen woont sinds 2007 meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. McNeill vindt de stad de meest efficiënte vorm van samenleven. Sterker nog: hij is ervan overtuigd dat verstedelijking de overlevingskansen van de menselijke soort vergroot.

John McNeill is sinds 1993 hoogleraar geschiedenis aan de Georgetown University in Washington D.C.. Samen met zijn vader, collega-historicus William H. McNeill, schreef hij The Human Web (2003), een wereldgeschiedenis in 325 bladzijden. Sinds dat boek geldt hij als ‘wereldhistoricus’. Zelf omschrijft hij zijn thema als ‘de invloed van de mens op zijn omgeving, door de eeuwen heen’. In het laatste hoofdstuk van The Human Web schrijven de McNeills: ‘Eén van de grootste uitdagingen van onze tijd is het proces van sociale, politieke, psychologische en morele aanpassing aan het leven in grote steden.’ Kort en goed: de evolutie van de stadsmens.

McNeill was vorige week even in Nederland. De Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam belegde een studiedag over de ‘Geschiedenis en toekomst van mondiale verstedelijking’ en McNeill was gastspreker. Voor een zaal vol stadsplanners deed hij waar hij goed in is, grote lijnen trekken. En die lijnen liepen steil omhoog. McNeills Powerpoint-projecties lieten de duizelingwekkende curven zien van bevolkingsgroei, energieverbruik en verstedelijking sinds 1950. “We leven in bizarre tijden”, zei hij met gevoel voor dramatiek. Als we na de lezing doorpraten in het hotel ziet hij af van zulke grote gebaren, maar hij praat met evenveel gemak over generaties en millennia.

De vraag is wat een stad tot stad maakt. In de Verenigde Staten geldt een bevolkingsconcentratie van 2.500 mensen al als stad. Turkije hanteert een inwonertal van 20.000 als ondergrens. Nederland kende tot de invoering van de Gemeentewet (1851) een bestuursrechtelijk onderscheid tussen stad en dorp. Sindsdien zijn er alleen gemeenten, maar die met stadsrechten gaan daar nog steeds prat op.

McNeill: “Ik ben geneigd de Amerikaanse opperrechter te citeren die over pornografie zei: ‘definiëren kan ik het niet, maar ik herken het als ik het zie.’ Je kunt het aantal inwoners per vierkante kilometer als uitgangspunt nemen. Je kunt een stad ook definiëren aan de hand van zijn bestuurlijke status. In middeleeuws Europa gold: als het muren heeft, is het een stad. Maar dat slaat op de politieke geschiedenis van Europa en werkt niet in India. Toch hebben alle steden een paar kenmerken gemeen. Eén daarvan is een complexe sociale organisatie met een vergaande arbeidsverdeling. Dicht bij elkaar wonen maakt dat mogelijk. De een is kleermaker, de ander edelsmid. Dat veronderstelt een markt, waar goederen en diensten worden geruild. Die arbeidsverdeling en die markt vind je in alle steden, in Vietnam, in Bolivia, in Nederland.”

mesopotamië

Gedurende 95 procent van zijn geschiedenis was de mens jager en verzamelaar en leefde hij in zwerfgroepen van 30 tot 80 personen. De laatste 9.000 jaar was zijn habitat het boerendorp. Ongeveer 7.000 jaar geleden begonnen mensen in Mesopotamië steden te bouwen. McNeill: “Het is niet duidelijk wat hen dreef. Het archeologische archief zwijgt hierover. We kunnen wel factoren aanwijzen die het mogelijk maakten dat de mens steden ging bouwen. De sleutel was een landbouwoverschot. Daardoor hoefde niet meer iedereen voedsel te verbouwen en werd specialisatie mogelijk. Stedenbouw kwam waarschijnlijk voort uit twee wensen. De eerste was veiligheid: bij elkaar wonen vergemakkelijkt de verdediging tegen gemeenschappelijke vijanden. Een geconcentreerde bevolking kan ook verdedigingswerken zoals muren aanleggen. De tweede, misschien minder bewuste, wens was maximalisering van de mogelijkheden voor specialisatie en ruil.”

De groei van steden nam pas in de laatste anderhalve eeuw dramatische vormen aan. McNeill: “Het grootste deel van hun geschiedenis hebben steden de bevolkingsgroei vertraagd. Ze waren namelijk bar ongezond. Ziektekiemen, vooral in water, doodden mensen zo snel dat steden een negatieve bevolkingsgroei kenden, die alleen werd gecompenseerd door een aanhoudende stroom migranten van het platteland. Londen was in de 18de eeuw zo groot en zo dodelijk dat die stad de bevolkingsgroei in Engeland als geheel halveerde. Steden waren demografische zwarte gaten. Dit duurde tot aan de sanitaire revolutie aan het einde van de 19de eeuw: de aanleg van rioleringen en drinkwaterleidingen, de ophaal van vuilnis en verbetering van de gezondheidszorg. Die revolutie begon in het noordwesten van Europa, verspreidde zich naar andere rijke streken van de aarde en bereikte aan het begin van de 20ste eeuw een deel van de koloniale wereld. Stedelijke bevolkingen zijn nu in de hele wereld gezonder dan plattelandsbevolkingen. Niet omdat stedelingen gezonder leven, maar omdat zij een betere toegang hebben tot gezondheidszorg.”

klimaat

Een tweede rem op de groei van steden was de energievoorziening. “Steden waren voor verwarming, voedselbereiding en nijverheid afhankelijk van brandhout en houtskool en konden daarom niet te groot worden. Elke stad moest een bosgebied controleren dat 50 tot 200 maal zo groot was als de eigen oppervlakte. Dat hing af van het klimaat: hoe kouder een stad hoe meer bos hij nodig had. Met de opkomst van fossiele brandstoffen kwam een einde aan de energieschaarste. Steden importeren nu op grote schaal kolen, gas en olie. Ook voedsel legde beperkingen op aan de groei van steden. Dat kon niet van te ver komen. Die beperking is verdwenen door het moderne transport en goedkope energie en door de geweldige productiviteitsstijging in de landbouw van de laatste halve eeuw.”

Steden dragen al een tijd bij aan de bevolkingsgroei, maar dat is aan het veranderen. McNeill: “De fertiliteit in steden is intussen lager dan de mondiale fertiliteit. Het verband tussen verstedelijking en geboorten is complex. In steden waar vooral mensen wonen die zijn geboren en getogen op het platteland en die nog een cultuurpatroon hebben dat door het platteland is gevormd, krijgen mensen meer kinderen. Tegelijkertijd heeft de plattelandsbevolking in landen met een eeuwenoude, hoge graad van urbanisering, zoals Nederland, nagenoeg dezelfde fertiliteit als stedelingen, omdat zij het culturele ethos en de verwachtingen van de stad hebben overgenomen. Steden werken op de lange duur als stabilisator van de bevolkingsgroei. Demografen gaan ervan uit dat de wereldbevolking in de komende 40 jaar een piek zal bereiken van zo’n 9 miljard zielen en dat de groei daarna stokt.”

“Als de demografen gelijk hebben”, zegt McNeill, terwijl hij elk woord met nadruk uitspreekt, “zal binnen vijftig jaar meer dan tweederde van ons in steden leven. Homo sapiens is een stedelijk dier aan het worden. De stad verandert bijna alles in het menselijke bestaan: cultuur, politiek, psychologie, gezondheid, levenswijze en wereldbeeld.”

De historicus schetst de invloed van de stad aan de hand van zijn familie. “De McNeills zijn nog maar een paar generaties stadsbewoners. Mijn vader is geboren in de stad Vancouver, West-Canada. Zijn vader is geboren op een boerderij in Prince Edward Island, in het uiterste oosten van Canada. Grootvader groeide op als boerenzoon en trok naar de stad toen hij een jaar of twintig was. In die korte tijd zijn de McNeills veranderd. Als jongeman leefde grootvader in een kleine wereld. Hij kwam zelden verder dan 10 kilometer van de boerderij. De kans om nieuwe mensen te ontmoeten was bijna nul. Ik ontmoet elke dag nieuwe mensen die de dingen anders aanpakken en andere gewoonten hebben dan ik. Dat komt omdat ik in een stad woon met 3 miljoen inwoners en ik regelmatig naar andere steden reis. Mijn grootvader groeide op in een wereld waarin iedereen nagenoeg hetzelfde deed. Ze waren allemaal kleine boeren en het werk op de boerderij omvatte in de loop van het jaar hoogstens tien activiteiten. Bijna alle uren dat ze niet sliepen, besteedden ze daaraan. Alleen op zondag mocht er uitgerust worden. Stadsmensen als ik kennen een veel grotere variëteit aan dingen die we willen en kunnen doen.”

aanpassingen

McNeill spreekt van een evolutionaire ontwikkeling. “Steden hebben zo’n zes à zeven duizend jaar gediend als locaties voor interactie tussen vreemden, voor de ontmoeting van uiteenlopende denkbeelden en gedragingen, die altijd resulteren in een vorm van verandering. Door de dichtheid van de bevolking, door ontmoetingen met vreemdelingen en ook door de concentratie van rijkdom zijn steden altijd voorop gegaan in deze culturele evolutie. Waarschijnlijk doen zich ook kleine biologische aanpassingen voor in onze soort als gevolg van het stadsleven. Zo ontwikkelen we weerstand tegen typisch stedelijke ziekten, een genetische verandering die zich niet zou hebben voorgedaan in een zuiver rurale omgeving.”

McNeill denkt dat deze ontwikkeling heilzame gevolgen heeft voor de mensheid. “Stadsleven maximaliseert het tempo waarin nieuwe kennis ontstaat en de uitwisseling van bestaande kennis. Steden zijn energieverslinders, maar in termen van verwarmen en koelen zijn ze veel efficiënter dan de verspreide kernen van het platteland. Mensen leven dicht bij elkaar, er zijn allerlei schaalvoordelen. Dat geldt ook voor het vervoer en voor de drinkwatervoorziening. In een aantal opzichten is stadsleven vanuit milieuoogpunt de verstandigste leefwijze voor grote aantallen mensen. Alles bijeen genomen draagt de stad bij aan kennis en informatie en aan efficiënt gebruik van schaarse hulpbronnen. Dat alles vergroot onze overlevingskansen als soort.”

grondgebruik

Maar er is een grens aan urbanisatie. „Tenzij robots voedsel produceren, moet iemand van ons het doen. Dat in de toekomst voedsel wordt verbouwd in steden is niet erg waarschijnlijk. Vooral om economische redenen. Stadsgrond is eenvoudig teveel waard. Er is een zelforganiserend systeem van grondgebruik. Een Duits geograaf, Johann von Thünen (1830-1905), heeft hiervoor in de negentiende eeuw een heuristisch model ontworpen: de zogenoemde Von Thünen-ringen. Dit zijn zones rond een stad van afnemende intensiteit in grondgebruik en afnemende grondprijzen. Dat mechanisme werkt nog steeds.”

De vraag is alleen waar de grens ligt. “In technologisch ontwikkelde landen als Australië en de VS kan 3 tot 5 procent van de bevolking voldoende voedsel produceren voor iedereen. Daar is nu dus een limiet aan de stadsbevolking van 95 tot 97 procent. Vooral in landen met voldoende ruimte zal dat percentage vaak lager liggen. Voor sommige mensen zal leven op het platteland altijd aantrekkelijker blijven dan een leven in de stad. In landen waar maar weinig beperkingen zijn aan de keuzen die mensen kunnen maken, landen met veel ruimte en veel geld, is 80, hooguit 85 procent waarschijnlijk de bovengrens aan de stadsbevolking. Voor de wereld als geheel denk ik dat de grens bij 90 procent ligt.”

Intussen lijkt er geen eind te komen aan de groei van megasteden, centra met meer dan 10 miljoen inwoners. De agglomeratie Tokio-Yokohama is op dit moment wereldkampioen, met 33-35 miljoen inwoners. McNeill: “Het kan waarschijnlijk nog groter. São Paolo kan een stad worden van 50 miljoen mensen. Ik bezocht voor het eerst een megastad – Mexico City – in 1977. Ik dacht toen: dit kan niet zo doorgaan. Zoveel mensen, zo dicht op elkaar, met zo weinig infrastructuur en zulke grote verschillen in welstand, dat leidt tot epidemieën en revoluties. Dat was dertig jaar geleden en er wonen nu al 25 miljoen mensen in Mexico City. Ik aarzel om te zeggen dat er een plafond is aan de omvang van megasteden, want dan zit ik er misschien weer naast.”