Sfeer in Wielwijk moet ‘zeventje’ worden

Minister Vogelaar wil veertig probleemwijken opknappen, maar laat de aanpak grotendeels aan de steden over. Wat zijn die van plan? Recepten voor het creëren van een prachtwijk.

In de stad Groningen krijgen 150 pasgeborenen per jaar een welzijnswerker op bezoek. Die brengt een ‘felicitatiekoffer’ mee, met informatie en een kadootje. Eenmaal binnen kijkt de welzijnswerker rond. Loopt alles op rolletjes, of kan het gezin wel wat hulp bij de opvoeding gebruiken?

Dit is een van de voorstellen uit het ‘actieplan’ van Groningen voor twee probleemwijken. Vijftien steden leverden eind vorige maand zulke plannen in bij minister Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA). Die wil weten hoe de steden van veertig probleemwijken prachtwijken denken te maken. Daarvoor is de komende tien jaar 250 miljoen euro beschikbaar, heeft Vogelaar toegezegd. Welke oplossingen hebben de steden bedacht om af te rekenen met de problemen? Wat is het recept voor een prachtwijk?

De plannen die klaar zijn – Amsterdam, Alkmaar en Maastricht werken er nog aan – vormen een stalenboek van Nederlandse buurtproblemen. In de grootste wijken zijn dat bijvoorbeeld prostitutie, hennepplantages en overbewoning door illegalen. In kleinere wijken gaat het meer om verslaving, verloedering en huiselijk geweld. Een aantal problemen komt in bijna alle wijken voor: hogere schooluitval dan het gemiddelde, drugsoverlast, hoge werkloosheid, een eenzijdig woningaanbod en ‘problemen achter de voordeur’, zoals schulden en moeite met opvoeden.

De meeste Vogelaarwijken zijn etnisch zeer gemengd. Enkele zijn overwegend wit (Meezenbroek, Heerlen) of zwart (Nieuwland, Schiedam). Toch benoemen weinig steden de etnische samenstelling als probleem. Eindhoven vermeldt dat autochtone bewoners allochtone bewoners de schuld geven van de achteruitgang van hun buurt. Rotterdam rapporteert spanningen tussen etnische groepen. In de Rotterdamse wijk Spangen betreft dat bijvoorbeeld de hoogopgeleide bewoners van nieuwgebouwde koophuizen en allochtone jongeren die, aldus het Rotterdamse actieplan, zien „dat het beter gaat met de wijk zonder dat zij het aan den lijve ondervinden”.

Vogelaar heeft de steden gevraagd hun doelen precies te formuleren. Dat is in de plannen terug te zien. Dordrecht wil dat bewoners van Wielwijk de ‘sfeer in de wijk’ in 2009 beoordelen met een 6,7 in plaats van een 6,5. Utrecht wil in Ondiep het aantal autokraken per 1.000 inwoners terugbrengen van 38 naar 30 in 2011, en naar 20 in 2017. Rotterdam heeft dezelfde doelen voor al zijn zeven Vogelaarwijken. De huizen moeten daar bijvoorbeeld tot 2010 met 10 procent meer in waarde stijgen dan de huizen in de rest van de stad.

De gekozen oplossingen zijn divers, maar enkele komen steeds terug. Bijna alle steden willen hun probleemwijken verrijken met een ‘multifunctioneel centrum’. Dat is een combinatie van voorzieningen onder één dak, zoals scholen, crèches, peuterspeelzalen, consultatiebureaus, sportzalen en ouderenzorg. Ook brede scholen vallen hieronder.

Waarom verwachten stadsbestuurders hier zoveel van? „De gedachte is dat mensen elkaar daar tegenkomen. Zodat ze vertrouwd raken met elkaar”, zegt Jeanet Kullberg, onderzoeker wonen bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Volgens Gerben Helleman van KEI Kenniscentrum stedelijke vernieuwing schieten deze centra de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond. Ze hebben ook nadelen, vindt hij. „Alles concentreren op een plek maakt de belevingswereld klein. Van bijvoorbeeld allochtone vrouwen wil je juist dat ze hun buurtje verlaten.” Een geslaagd multifunctioneel centrum is aantrekkelijk voor álle wijkbewoners, vindt hij. „Het moet meer zijn dan achterstandsbestrijding.”

Steden zijn van plan vergaand in te grijpen achter de voordeur. Groningen heeft de felicitatiekoffer, Amersfoort wil langs de deuren met AV-teams (Aanspreken en Vooruithelpen), Enschede met ‘actieteams van wijkcoaches’. Helleman ziet hierin de invloed van het rapport Stad en Stijging van de VROM-raad, dat ervoor pleit in het kader van stedelijke vernieuwing ‘kansarme’ bewoners te helpen. De overheid moet hen in staat stellen stapje voor stapje te stijgen op de sociale ladder, is de gedachte. Bijvoorbeeld via schuldsanering en vrijwilligerswerk naar een betaalde baan.

Van de bewoners in de probleemwijken wordt ook iets terugverwacht, blijkt uit de stadsplannen. In Wielwijk moeten zij in 2008 minimaal vijf ‘bewonersinitiatieven’ uitvoeren, en een jaar later zeven. Ook moet het aandeel bewoners dat zich inzet voor de buurt van 18 naar 20 procent.

Lost zo’n individuele benadering ook wijkproblemen op? Jeanet Kullberg denkt van wel. „Als mensen niet helemaal meer in beslag worden genomen door de armoede binnenshuis, zullen ze misschien eens hun straatje vegen, of meedoen aan een buurtactiviteit.” Ook voorkomt een dergelijke ‘verheffingsstrategie’ het zogenoemde ‘waterbedeffect’ dat vaak optreedt bij sloop en nieuwbouw. Als goedkope huizen verdwijnen, zijn armere bewoners gedwongen de wijk te verlaten. Maar hun problemen nemen ze mee naar een andere wijk.

Een ander thema in de plannen is de verbetering van het particuliere woningbezit, volgens Helleman „het vergeten kind” van de stedelijke vernieuwing. Waar corporatiebezit al is gerenoveerd, of geweken voor nieuwbouw, kunnen verloederde particuliere panden een wijk weer omlaag halen. Sommige gemeenten kopen panden van huisjesmelkers op, zoals Rotterdam probeert met die van vastgoedhandelaar Cees Engel. Maar er zijn ook individuele particulieren die hun huis verwaarlozen. „Die zijn voor gemeenten eigenlijk nog een black box”, zegt Helleman. „Je ziet dat gemeenten het rijk om instrumenten vragen, zoals ‘bestuurlijke boetes’, om daar toch iets aan te kunnen doen.”

Veel informatie over de veertig wijken is te vinden op www.kei-centrum.nl/wijkactieplannen