Ook armen zijn gebaat bij kapitalisme

Verbonden aan het Center on Global Prosperity van het Independent Institute, een denktank in Oakland (VS), en auteur van ‘Liberty for Latin America’.

Maakt het wereldkapitalisme de armen nog armer of verlost het juist miljoenen uit hun ellende?

Ik nam onlangs in Mexico deel aan een reeks debatten over dit thema, georganiseerd door het blad Foreign Policy en het Mexicaanse culturele tijdschrift Letras Libres. Ik heb op die bijeenkomst niets gehoord waardoor mijn overtuiging is veranderd dat het glas halfvol is, in weerwil van de zwartkijkers die afschuwelijk onheil voorspellen.

Vanaf de Industriële Revolutie is overal ter wereld de armoede beduidend afgenomen. Tweehonderd jaar geleden was het inkomen per hoofd van de wereldbevolking omgerekend gemiddeld minder dan 2 dollar per dag; nu is dat 17 dollar. Dit gegeven is van belang voor de huidige discussie over de mondialisering, omdat we door de IT-revolutie, de biotechnologie, de opkomst van nieuwe wereldspelers en de outsourcing weliswaar de indruk zouden kunnen krijgen dat we ons te midden van iets geheel nieuws bevinden, maar we beleven gewoon een nieuwe fase in het vernieuwingsproces dat de markteconomie is – en dat al een paar honderd jaar aan de gang is.

Hoewel 20 procent van de wereldbevolking extreem arm is, mogen we niet vergeten dat miljoenen er de laatste dertig jaar ingrijpend op vooruit zijn gegaan. Het analfabetisme is gedaald van 44 procent tot 18 procent en maar drie van de in totaal 102 landen op de Index van de ‘menselijke ontwikkeling’ van de VN hebben hun sociaal-economische omstandigheden zien verslechteren. De Chinese economie vertegenwoordigde voorheen éénzesentwintigste van de gemiddelde economie van de landen van de OESO; inmiddels vertegenwoordigt ze éénzesde.

Dit zijn geen vage gegevens. Ze zijn ruim voorhanden en eenvoudig te begrijpen. Publicaties als The Improving State of the World van Indur Goklany, het rapport over de wereldeconomie van David Dollar en Aart Kraay en Inequality Among World Citizens van François Bourguignon en Christian Morrisson – om drie van de vele recente studies te noemen – leveren het bewijs dat de wereld beter af is dankzij de toegenomen stroom aan kapitaal, goederen, diensten en ideeën.

Dit strookt niet met allerlei voorspellingen dat we de komende jaren een enorme concentratie van rijkdom zullen zien bij een paar winnaars die miljoenen verliezers achter zich zullen laten. Het is waarschijnlijk waar dat de kloof tussen laaggeschoolde arbeiders en beter opgeleiden tot gevolg heeft dat verschillende mensen op heel verschillende manieren door de voortgaande ontwikkeling van de wereldeconomie worden beïnvloed, maar het is ook een feit dat zelfs de mensen onder aan de ladder profiteren van de mondialisering.

Armoede was de natuurlijke toestand van de hele mensheid totdat de markteconomie de mogelijkheid van een steeds grotere productiviteit bood. Naar schatting zal in 2030 de gemiddelde rijkdom van de ontwikkelingslanden gelijk zijn aan die van de Tsjechische Republiek (22.000 dollar per hoofd van de bevolking) van dit moment. Het laatste Wereldbankrapport over de ‘mondiale economische vooruitzichten’ stelt zelfs dat Mexico, Turkije en China het huidige ontwikkelingspeil van Spanje zullen evenaren – en dat is hoog.

Tijdens de bijeenkomst in het Mexicaanse Monterrey wezen degenen die probeerden hun angst voor de mondialisering te rechtvaardigen, naar Cuba en Venezuela als ontwikkelingsmodel, en naar de armen van Mexico ter ondersteuning van hun stelling dat toenemende handel – dankzij het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord – de massa tekortdoet.

In 1953 was de Cubaanse rijkdom te vergelijken met die van de staat Mississippi; nu is de export van het eiland gelijk aan éénderde van de omzet van rumfabrikant Bacardi, het economische icoon van de Cubaanse ballingengemeenschap. Het economische systeem van Venezuela is een klassiek geval van staatskapitalisme gebaseerd op olie – precies de reden dat het Venezolaanse inkomen per hoofd van de bevolking is gedaald van tweederde van dat van de Verenigde Staten in de jaren vijftig tot amper 15 procent op dit moment. En de Mexicaanse sloppenwijken zijn geen uitvloeisel van de toegenomen handel met de Amerikaanse noorderburen, die de afgelopen 15 jaar is verviervoudigd, maar van het trage hervormingstempo.

De wereld is niet van rijk opeens arm geworden. De vorderingen van de markteconomie, waardoor de wereld gaandeweg van haar ketenen is bevrijd, gaan vandaag de dag alleen maar sneller – ondanks de vele beperkingen die nog altijd gelden voor de mensen die rijkdom scheppen en uitwisselen, en ondanks de angsten die deze historische tijden vanzelfsprekend teweegbrengen bij degenen die moeite hebben om zich aan te passen.

©The Washington Post Writers Group.