‘Nu kijk ik ook de andere kant op’

‘Ik spreek geen hangjongeren meer aan. Zie waar het de vorige keer toe leidde. Vier jaar ben ik al bezig mijn recht te halen en nog steeds is dat niet gelukt. Ik ben natuurlijk kwaad op de jongens die mij hebben aangevallen. Maar ik ben woedend op de gemeente, politie en justitie. Alles wat mis kon gaan, ging mis. Als ik er nu, zoveel jaar later, over praat, raak ik weer van streek. Het blijft een open wond.

Het begon al in Overvecht, de flatwijk in Utrecht. Vanaf begin jaren negentig woonde ik daar op tien hoog met mijn vriendin, vlakbij winkelcentrum Overkapel. Toen waren er al problemen met kleine Marokkaanse jochies die winkeliers en bewoners het leven zuur maakten. Mijn vriendin werd geregeld uitgemaakt voor kankerhoer en ik was een vuile kaaskop. Als je daar wat van zei, nog vriendelijk hoor, kon je een grote bek krijgen. We wilden daar weg, zeker nadat onze tweeling was geboren.

In 1999 konden we een mooie, nieuwe eengezinswoning krijgen in Schaakwijk, ook in Utrecht-Noord. Een slecht buurtje, maar met een mix van dure en sociale huurwoningen was het flink opgeknapt. Het Asterix-team, een politie-eenheid die zich uitsluitend met jongerenoverlast bezighield, hielp de buurt leefbaar te houden. Maar dat team werd uitgekleed tegen de tijd dat wij er kwamen wonen. Al snel nam een groep jongens van nabijgelegen flats de straten weer over. Ondanks herhaalde klachten van de buurt bij de gemeente en politie, gebeurde er niets.

De overlast werd zo erg, dat we een hond hebben genomen. Niet zo’n heel gevaarlijk beest, maar wel eentje die indruk kon maken als dat nodig was. De verhouding met die jongens was op dat moment al slecht. Als ze autokraakjes pleegden, rotzooi op straat gooiden, of bankjes sloopten, dan zei ik daar wat van. Moest ik dan mijn mond maar houden en toezien hoe ze de hele buurt afbraken? Ik vroeg het netjes hoor. Maar toch kreeg ik een grote bek. Of ze spuugden voor je op de grond. Niet bepaald een teken van respect in de Marokkaanse cultuur. Ik liet het er maar bij zitten.

Op 14 september 2003 ging het mis. Na het avondeten moest ik nog werken. Ik heb een schoonmaakbedrijfje in de medische sector. Het was warm. Kinderen, ook de mijne, speelden op het plein voor mijn huis. Een paar jongens scheurden daar echt keihard tussendoor met hun scooters. Dat deden ze al de hele dag, ondanks dat daar geen scooters mogen rijden. Een maand eerder was een kind aangereden. ’s Middags was de politie daarover gebeld, maar dat werkte blijkbaar niet. Toen ik weg moest, sprak ik de jongens aan. Ik kan mijn mond niet houden in dat soort situaties. Ik had het helemaal met ze gehad. Zei dat ze moesten opdonderen met hun scooters. Dat dit een plek was waar kleine kinderen speelden.

Meteen kreeg ik een harde klap tegen de zijkant van mijn hoofd. Eén van die jongens pakte me van achteren vast. Een ander probeerde in mijn kruis te trappen. Ik schopte terug. Raakte een scooter. Nou toen waren de poppen aan het dansen. Zo’n scooter is toch een statussymbool voor die jongens. Eén van hen pakte uit zijn back seat een soort schroevendraaier en maakte stekende bewegingen naar mijn buik. Gelukkig hoorde een buurman de consternatie en kwam tussenbeide. De jongens reden vervolgens weg. Veel buren hadden de ruzie vanachter de gordijnen gezien. Ze deden niets. Staken geen poot uit.

Ik heb natuurlijk aangifte gedaan, maar ik wist nog niet de identiteit van de verdachte. Twee dagen later stond hij ineens voor mijn deur, duidelijk met het doel me te bedreigen. Mijn hart zat meteen in mijn keel. Ik belde de politie, die na een kwartier kwam. Ik ben met ze meegegaan om hem te zoeken en heb hem kunnen aanwijzen. Hij is toen gearresteerd, maar niet zonder dat er een stuk of dertig, veertig Marokkanen zich rond de politieauto verzamelden. En maar schelden en spugen. Dat was echt heel eng. Je weet niet wat je meemaakt. Hij is een paar dagen vastgezet.

Je denkt op zo’n moment dat je de zaak kunt afhandelen en weer verder kunt gaan met je leven. Nou niet dus. De dreiging van die jongeren verergerde. Ze scholden mij uit, er waren bedreigingen. Een van die jongens reed nog een keer met zijn scooter op mij in. Een maatschappelijk werker van de politie oordeelde dat onze situatie levensbedreigend was.

Onze zaak kreeg urgentie, dat wel, maar we kwamen alleen in aanmerking voor een flat. Dat weigerde ik. We woonden inmiddels in een mooie eengezinswoning. Ik wilde niet terug naar een flat. Wij hadden toch niets misdaan? Moesten wij er dan voor boeten? Eén van mijn buren was raadslid voor de SP. Hij heeft onze zaak onder de aandacht gebracht in de gemeenteraad en diende een motie in om ons een nieuwe eengezinswoning toe te wijzen. Het college van B en W had beloofd het antwoord aan de gemeenteraad tijdig aan ons voor te leggen, zodat wij daarop konden reageren. We kregen de brief van de koerier, op het moment dat de vergadering bezig was. We konden ons standpunt dus niet toelichten, terwijl er naar onze mening onwaarheden in de brief stonden. De motie om ons een normaal huis toe te wijzen, heeft het niet gehaald. Ik heb nog geprobeerd om de wethouders te spreken te krijgen, maar die hielden alle contacten af. Van een CDA-raadslid kreeg ik nog een mail dat ik er onverstandig aan deed om contact te onderhouden met de pers. Dat zou mijn zaak geen goed doen.

Het werd alleen maar gekker. De politie liet weten, na herhaalde vragen van mijn advocaat, dat ze de zaak hadden geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. En dat terwijl er twee getuigen waren! Wat bleek? De getuigen werden onderworpen aan een fotoconfrontatie. Maar de foto van Samir, de verdachte, zat er niet tussen. Nee, tuurlijk werd de verdachte toen niet herkend. We zijn vervolgens ruim een jaar bezig geweest om de politie het onderzoek te laten heropenen en alsnog een confrontatie af te dwingen. Ze weigerden steeds. We moesten uiteindelijk een procedure volgen via de rechtbanken van Amsterdam en Arnhem om het onderzoek heropend te krijgen. Daarna moest de rechter-commissaris de politie meermaals dwingen vaart te maken met het onderzoek. Uiteindelijk vond de nieuwe fotoconfrontatie anderhalf jaar na de vechtpartij plaats.

Ik begreep die opstelling van de politie niet. Inmiddels was duidelijk dat die Samir geen lieverdje was. Hij had een hele waslijst aan veroordelingen voor inbraken en geweldsmisdrijven. Een maand na de vechtpartij was hij opgepakt omdat hij iemand in elkaar had geslagen. Die jongen liep ondertussen weer vrij rond in mijn buurt.

Ook justitie liep te blunderen. De zittingsdatum bleef uit. Mijn advocaat vroeg er vaak om. We wilden erbij zijn, omdat ik een schadevergoeding wilde eisen. Die kun je in een strafzaak voegen. Ik ben een belangrijke klant kwijtgeraakt, omdat ik overspannen was en een paar maanden niet kon werken. In december 2005 kregen we uiteindelijk bericht dat de zitting in oktober daarvoor al had plaatsgevonden. Om mijn schade vergoed te krijgen, moest ik dus alsnog een nieuwe procedure starten. Samir kreeg een maand jeugddetentie en ging in hoger beroep. Daarna is hij spoorloos verdwenen.

In augustus 2004, bijna een jaar na het incident, kregen we eindelijk een nieuw huis toegewezen. Buiten Utrecht. Het huis was al twee keer afgewezen vanwege de staat van onderhoud. We hebben er veel aan moeten opknappen. Een verhuisvergoeding hebben we nooit gekregen, ondanks mondelinge toezeggingen. Afgelopen mei is Samir in de civiele procedure bij verstek veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van 20.000 euro. Ik verwacht niet dat ik die ooit zal krijgen. Ieder moment kan ik wel een vergoeding krijgen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Ik hoop dat ik daarna eindelijk deze zaak kan sluiten.

Als ik terugkijk op de afgelopen vier jaar dan is het verschrikkelijk geweest. Ik heb er wel eens aan gedacht om de hele zaak maar te laten zitten. Maar als je er eenmaal aan begonnen bent, kun je niet meer stoppen. Burgemeester Brouwer, de wethouders, ambtenaren, politie en justitie hebben me vreselijk laten zakken. In plaats van hulp, wat je verwacht in zo’n situatie, wordt het je alleen maar moeilijk gemaakt. Aan de ene kant word je als burger gestimuleerd om op te treden als mensen zich op straat misdragen. De samenleving – dat zijn wij. Dat soort slogans vliegen je om de oren. Als het fout gaat, ben ik achtergekomen, hoef je echter niet op de politie of de gemeente te rekenen. Ik had rugdekking verwacht, maar kreeg in plaats daarvan een rigide opstelling. Ik moest het huis uit en de regels stonden niet toe dat ik eenzelfde woning terug zou krijgen.

Als de gemeente de regels op straat net zo scherp zou handhaven, was dit nooit gebeurd. De gemeente wilde geen precedent scheppen. Dat begrijp ik. Maar het precedent dat ze hiermee alsnog hebben geschapen is dat je als bewoner van Utrecht nu weet dat je er alleen voor staat. Als je in de problemen komt omdat je je nek durft uit te steken, dan zal je het zelf moeten oplossen. Op die manier winnen die vervelende jongeren.

Het heeft me wel veranderd. Ik heb mijn buik vol van alles wat met een onbetrouwbare overheid te maken heeft. Het vertrouwen is weg. Je staat er gewoon alleen voor. En die vervelende hangjongeren? Als ik nu een paar van die knapen een auto zie kraken of een bankje zie slopen, dan kijk ik wel de andere kant op. Iemand anders mag het opknappen. Ik heb mijn portie wel gehad.”

Opgetekend door Dimitri Tokmetzis

Politie en gemeente herkennen zich niet in het beeld dat Hollestelle schetst. Zij wijzen erop dat het onverstandig is om weg te kijken als sprake is van overlast en dat in zo’n geval wel degelijk een beroep gedaan kan worden op politie, justitie en gemeente.