Lastpakken

Om de schatten in Egypte te zien, kun je het beste in een groep reizen. Maar Egyptische gidsen hebben haast, want hoe meer groepen, hoe meer ze vangen.

Op eigen houtje rondkijken in Egypte is geen doen. Je wordt aan één stuk door belaagd door opdringerige souvenirverkopers. Om ongestoord de oudheidkundige schatten te bewonderen, kun je het beste in een groep reizen. Als de verkopers echt hinderlijk worden, haalt de reisleiding er de toeristenpolitie bij. Nadeel van een groep is het overvolle programma, dat in hoog tempo wordt afgewerkt. De ingehuurde Egyptische gidsen hebben haast. Hoe meer groepen ze opvangen, hoe meer ze verdienen. Keer op keer moeten we ons losmaken van een bezienswaardigheid om achter de gids aan te hollen.

We trekken op met Joke, een alleen reizende vrouw. We hebben dezelfde belangstelling. Bij de piramide van Cheops raken we met z’n drietjes achterop. Plotseling zijn we omringd door souvenirverkopers. Gelukkig verschijnt er een agent van de toeristenpolitie. We verwachten niet anders dan dat hij de lastpakken wegstuurt, maar hij blijkt er zelf een te zijn. Hij laat ons een handvol vreemde munten zien die hij wil ruilen tegen dollars of Egyptische ponden. We gaan er niet op in. Hij dringt aan. Zijn toon wordt dreigend. De reisleidster schiet ons te hulp. In haar spoor volgt Moniek, de bemoeial in de groep. Moniek snerpt dat we de cultuur van het land moeten respecteren en de agent baksjisj moeten geven. „Dat maken we zelf wel uit”, bitst Joke.

We maken een zeiltocht over de Nijl in een zogeheten feloeka. Tenminste, dat was de bedoeling. Bij gebrek aan wind dobberen we stuurloos rond, net als een tweede feloeka met aan boord de reisleidster en de andere helft van de groep. Moniek, die er zich op voorstaat dat ze een cursus neurolinguïstisch programmeren heeft gevolgd, betoogt dat iemand de leiding moet nemen. „Daar heeft niemand om gevraagd”, zegt Gerarda. Weer aan wal komen er een paar reisgenoten op Gerarda af. Ze vinden het prachtig dat zij „die bazige meid” heeft afgetroefd, maar op haar vraag waarom zij alles van Moniek pikken, krijgt ze geen antwoord.

Bij de Koningsgraven staat Moniek als altijd vooraan. De gids licht een wandschildering met een vruchtbaarheidsritueel toe. Ze valt hem in de rede. Ze zal wel eens even vertellen hoe het zit met die vooruitstekende rokjes van de afgebeelde mannen. Het is het symbool van ‘stille kracht’, zegt ze. We barsten in lachen uit. Ze briest van woede.

In een van de tempels van Karnak valt vanaf grote hoogte een streep zonlicht op het beeld van een godheid. Het is een angstaanjagend gezicht. Ik zie het als een bevestiging van mijn theorie dat mensen bang worden van het beeld dat ze zelf geschapen hebben. Moniek is doodstil. Het is duidelijk dat ze absoluut geen raad weet met dingen waar ze geen greep op heeft. Een paar dagen later raakt ze zelfs in paniek als we op weg naar de Golf van Akaba in de Sinaï-woestijn een fata morgana op de horizon zien trillen.

Aangekomen bij de berg Sinaï, waar volgens de overlevering Mozes de stenen tafelen ontving, wagen de sportievelingen zich in navolging van de pelgrims aan een nachtelijke beklimming. Na afloop wordt Gerarda als oudste deelneemster onderscheiden met een ‘Sinaï certificaat’, een prent uit de souvenirshop van het St. Catharinaklooster aan de voet van de berg.

Moniek verstoort de huldiging door in short en topje languit op de muur van het eerbiedwaardige zesde-eeuwse Grieks orthodoxe klooster te gaan zonnen. Zeker haar manier om de cultuur van het land te respecteren. Terwijl de monniken haar besmuikt op een afstand passeren, geef ik een Arabisch jochie wat geld om een briefje naar die mooie mevrouw te brengen. Haar verontwaardigde kreten klinken mij als muziek in de oren. Ik weet wat ze leest.