Jordanië wil meer zijn dan geliefd decor voor Irakfilms

In Jordanië worden meer buitenlandse films dan ooit gemaakt. Het land doet vooral dienst als decor voor films over de oorlog in Irak. Idealistische filmers hopen op blijvende belangstelling.

De stoffige straten van de Jordaanse hoofdstad Amman bakken in de hitte. De zon staat al laag, maar op de set van Captain Abu Raed is de werkdag nog niet ten einde.

Captain Abu Raed gaat over een schoonmaker op een vliegveld die wereldse verhalen vertelt aan de kinderen uit zijn buurt. Op zijn beurt leert hij hun, soms droeve, verhalen kennen. De film markeert het begin van een tijdperk, menen betrokkenen. Want Captain Abu Raed is behalve een ontroerend verhaal ook de eerste in een lange rij lokale speelfilms, die de komende jaren op de rol staan. Speelfilms die interessant moeten zijn voor de Arabisch én de Westerse wereld. Dit jaar worden nog twee lokale films in Jordanië gemaakt; voor volgend jaar staat al een handvol producties in de steigers.

Tot nog toe leek de filmindustrie in Jordanië vooral te bestaan op basis van buitenlandse producties. In de eerste zes maanden van 2007 werden acht buitenlandse films geschoten, voor het einde van het jaar volgen nog eens zo’n tien films. En dat is opvallend, want in 2006 werd in Jordanië slechts één lowbudget Italiaanse tv-film gemaakt: La Sacra Famiglia.

Redacted, die binnenkort in Nederland in de bioscoop verschijnt, werd afgelopen voorjaar in Jordanië opgenomen. Deze film van Brian De Palma, bekend van onder meer Scarface en Carlito’s Way, gaat over de verkrachting en moord op een Iraaks meisje en de moord op haar familie door Amerikaanse soldaten. Net als Redacted gaan de meeste films die op Jordaans grondgebied worden geschoten over Irak. „Het is vreselijk, we profiteren van de oorlog in ons buurland”, zegt Pernilla Fryckholm, general manager van de vier jaar geleden opgerichtte Royal Film Commission (RFC).

De Amerikaanse uitvoerend producent van Captain Abu Raed, David Pritchard, vindt het „jammer” dat er zoveel films over de Irak-oorlog in Jordanië worden gemaakt. „We moeten verhalen vertellen over echte mensen. In speelfilms ligt de kans om elkaar beter te leren begrijpen. Als in dit land alleen Irakfilms worden gemaakt, benutten we die kans niet.”

En Pernilla Fryckholm van de RFC zegt: „Jordanië heeft bossen, heuvels, woestijn, en steden. Oudheden en ruines, en zelfs rivieren en stranden. Locaties zijn er genoeg, en de arbeidskosten zijn laag.” Zijn organisatie hoopt met lokkertjes als gunstige belastingwetten nog meer internationale producties aan te trekken.

Wellicht zijn hun zorgen overbodig. Want in de Jordaanse filmindustrie wordt momenteel flink geïnvesteerd, bijvoorbeeld door de RFC die in samenwerking met het Sundance Institute van Robert Redford een jaarlijkse workshop organiseert voor scriptschrijvers uit de Arabische wereld. Het doel is de lokale creativiteit een impuls te geven en uiteindelijk de scripts te verfilmen. Ook de bouw van de Red Sea Institute for Cinematic Arts in de havenstad Aqaba is een stap in de richting van een blijvende filmindustrie. Deze filmschool – die volgend jaar de eerste studenten zal toelaten – is de eerste in de regio en heeft nauwe banden met de Amerikaanse University of Southern California.

Maar het is de vraag of het land de technische aspecten van film maken wel aankan. Op de set van Captain Abu Raed blijkt bijvoorbeeld dat nergens in Amman een dolly gehuurd kan worden. Dat camerakarretje moet door een creatieve klusjesman binnen een dag in elkaar worden gezet.

Toch verandert er iets, meent Fadi Sarraf. Zijn productiebedrijf regelt op de set van Captain Abu Raed vele zaken – zoals de dolly.

„Een paar jaar geleden was niemand in film geïnteresseerd. Maar er verandert iets, en dat komt door mensen als wij.” Sarraf knikt in de richting van Amin Matalqa, schrijver en regisseur van Captain Abu Raed. „Er onstaat een nieuwe generatie die initiatief neemt. Onze ouders kijken niet naar films, en zullen ze dus ook niet maken. Maar wij houden van film.”

Matalqa had zijn film natuurlijk ook in een studio in Los Angeles, waar hij woont, kunnen opnemen, of in Marokko, waar een betere infrastructuur voor film bestaat. Maar hij wilde persé naar Jordanië. „Want als wij het goed doen en er ontstaat een filmindustrie in Jordanië, dan stijgt de werkgelegenheid.”

Desalniettemin wil uitvoerend producent Pritchard met Captain Abu Raed méér bereiken dan mensen aan een baan helpen. De film moet „de katalysator zijn die een filmindustrie in Jordanië op gang brengt. En niet zomaar een industrie, er moeten Arabische films voor een internationaal publiek worden gemaakt.”

Pritchard, die naam maakte als producent van de animatieserie The Simpsons, komt sinds de jaren zeventig geregeld naar Jordanië. Hij heeft op persoonlijke titel in dit project geïnvesteerd. Hij zegt er niets voor terug te willen, wil zelfs de eventuele winst van Captain Abu Raed in lokale producties steken. Als deze film af is, begint hij aan de productie van een comedy – in het Arabisch.

Waarom hij dat doet? „De media zijn een een dominante factor in de wereld. En op dit moment worden ze overheerst door de Verenigde Staten en West Europa. Dat betekent dat de hele wereld, ook de Derde Wereld, de mogelijkheid krijgt om de Westerse cultuur te leren kennen. De wereld snapt ons dus wel, maar wij snappen de wereld niet.”

De RFC hoopt dat Pritchard zich blijft inzetten voor de lokale filmindustrie. Want, zegt Fryckholm, „de filmindustrie mag niet sterven als de interesse in de oorlog hiernaast voorbij is.”