Het grote verschil

Met belangstelling heb ik het artikel gelezen over het onderzoek naar de verschillende ontwikkeling in Afrika en Azië (`Het grote verschil`, W&O 20 oktober). Ik was tussen 1974 en 1998 in diverse functies betrokken bij ontwikkelingssamenwerking met uiteenlopende Afrikaanse landen. De uitzichtloosheid van Afrika heeft me diep geraakt.

In het artikel worden veel verschillende verklaringen aangedragen voor het slechte presteren van Afrika, zoals falende overheden, verkeerd landbouwbeleid, falende ontwikkelingsstrategieën e.d. Dat lijkt me allemaal juist en van belang. Aan elk van deze verklaringen liggen diepere oorzaken ten grondslag. Een dergelijke diepere grondslag die in het artikel niet wordt genoemd is de rol van het Afrikaanse arbeidsethos, dat m.i. slecht aansluit bij de eisen van een moderne samenleving.

Is de gemiddelde Afrikaan bereid en in staat om te werken in de gemiddelde moderne fabriek? Welke houding, welk arbeidsethos is daarvoor nodig, en kan dat in redelijkheid verwacht worden van iemand die misschien het best te vergelijken is met een boer uit de Antieke oudheid? Ik denk het niet. Ik heb in de loop der jaren `Afrikanen` leren zien als mensen die gewend zijn aan relatief veel vrijheid van handelen en werken, gewend aan zelfstandigheid, gewend zelf over hun zaken te beslissen, gericht op sociale activiteiten en sociaal aanzien, en `onthaast`. Veel westerlingen zal dit niet slecht in de oren klinken, en voor bijvoorbeeld de huidige generatie van Chinese arbeiders is dit een ondenkbaar ideaal.

Als econoom ben ik er van overtuigd geraakt dat de productiefactor arbeid het grote knelpunt is voor economische ontwikkeling in Afrika, dus niet schaarste aan hulpmiddelen, d.w.z. de productiefactor kapitaal. Toch richt veel van de internationale hulp zich op het vergroten van de kapitaalstromen naar Afrika, hetgeen verklaart dat het rendement van deze hulp zo ontstellend laag blijft.

De factor arbeid omvat behalve `geschoolde arbeid` vooral ook de culturele bedding die van groot belang is voor de effectiviteit ervan. Overheidsdienaren kunnen goed geschoold zijn, maar als hun loyaliteit niet ligt bij hun werk maar bij de eigen familie of clan levert hun inzet te weinig rendement voor de samenleving op. Dit geldt ook voor managers van bedrijven die zich meer bezig houden met het behartigen van eigen belangen (en die van de eigen achterban) dan met het nastreven van de doelen van het bedrijf.

Wat is er nodig om arbeid effectiever te maken in Afrika? Naast een goede vakopleiding is er naar mijn mening behoefte aan bewustwording van Afrikaanse culturele waarden en de betekenis en ontwikkeling daarvan in een moderne samenleving. Hiervoor zou plaats gemaakt moeten worden in het (middelbaar en hoger) onderwijs. Er is behoefte aan bewustwording van (en onderzoek naar) knelpunten tussen traditionele Afrikaanse waarden en de eisen van een moderne staat en samenleving. We kunnen doorgaan met (terechte) kritiek leveren op het democratische gehalte van veel Afrikaanse landen, maar leiders die oprecht streven naar democratie (in de jaren negentig bijvoorbeeld in Ethiopië en Oeganda) kunnen niet teruggrijpen op succesvolle modellen of ervaringen in andere delen van Afrika. Er is daarom behoefte aan onderzoek naar alternatieve modellen, en experimenten met vormen van democratie en bestuur die verenigbaar zijn met Afrikaanse waarden.