Haest en De Graaff werken op de begraafplaats

Op 2 november tijdens Allerzielen worden alle overledenen herdacht.

Mickelle Haest (links) en Greetje de Graaff werken tussen de doden op het kerkhof. Ze delven een metersdiep graf en lopen voor de stoet uit

WAT REST VAN DE MENS: Hoe dood de dood is, ondervinden medewerkers van Zorgvlied dagelijks Foto’s Moon Jansen Jansen, Moon

Annie M.G. Schmidt, Swiebertje en Herman Brood laten we links liggen. Endstra ligt om het hoekje. De nazomer bedekt de Amstelveense begraafplaats Zorgvlied met een gouden laagje. Medewerker Eric staat op ruim twee meter diepte. Hij delfde zojuist het graf voor de geheime begrafenis van een andere BN-er. We kuieren naar het volgende graf dat gedolven moet worden. Gister is er iemand overleden die een plekje bij zijn familie wil. In het familiegraf liggen al twee verwanten, een derde past er niet bij. Om te zorgen voor een plaatsje, kiezen de nabestaanden voor ‘samenvoegen’. Aan Haest en De Graaff de taak om het graf te openen, de overblijfselen van de overledenen te verzamelen en in een kuiltje onder de twee graflagen te begraven.

Met de mechanische hand van de graafmachine lichten we de grafzerk. De tijd heeft het opschrift weggevaagd. Onze werkpapieren maken melding van twee personen; wie het zijn, hoe oud ze werden en hoelang ze hier liggen, we weten het niet. Bovenop de aarde plaatsen we de aluminium bekisting – 2 meter 30 bij 90, nu kan Eric met de graafmachine een foutloos gat graven. Wij zien de aarde open gebeten worden. In de bovenste laag hoeven we nog niks te verwachten. Op een meter diepte glimt er iets in het rulle zand: het zijn de knoppen van de kist. Vanaf hier moet er behoedzaam gegraven worden. De kist is eerder heen dan het lichaam, vertelt collega Rabinder ons. Een bemodderde kist met daarin witte botten in het gelid zullen we niet aantreffen. De spanning neemt als aanzwellende muziek bezit van ons, we zetten onze voeten stevig op de grond. Een dure eikenhouten kist kan jarenlang intact blijven. Een standaardkist is van spaanplaat met fineer.

Rabinder bereidt ons voor op mogelijke scenario’s. Het allerergste blijft ons vandaag bespaard: een jong graf van een paar jaar oud ruimen. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als emigrerende nabestaanden de overledene mee willen nemen naar hun bestemming. Wat we wel kunnen vinden: een lichaam dat door hoog grondwaterpeil niet zo netjes is verteerd of keurig nette botten óf de beruchte plastic zak uit de jaren zeventig. Voor die laatste vondst krijgt zelfs de meest doorgewinterde medewerker een bonus op zijn salaris. Het is een tijd in de mode geweest om overledenen in de kist keurig af te sluiten in een plastic hoes. Vlees is vergankelijk, maar in plastic verwordt het tot kipfilet. De zak moet alsnog geopend worden.

Eric laat met de graafmachine hapjes zand los op een berg naast het graf. Met een tuinhark scheiden we de menselijke overblijfselen van de aarde en brengen ze bijeen. Een grote zwarte sok valt neer, het scheenbeen steekt eruit. De Graaff trekt hem met de hark naar beneden, de sok voelt zwaar. Ze betast de dood door de hark heen. Losse botten volgen: bovenbeen, heup, ruggenwervel. Wormen zijn er niet. De botten zijn niet wit, maar donkerbruin. Met iedere schep wordt de persoon completer. Het grote dijbeen duidt op een man. In zijn blauwe pyjama krijgt hij een gedaante. Botten hangen in donkerblauwe flarden stof boven het zand. We bewaren de lapjes stof zorgvuldig bij de botten, „Een brokje familie”, zegt tuinbaas Hans op zijn ronde. Een schedel uit het boekje rolt richting Haest, het volledig intacte kunstgebit valt voor haar voeten eruit. Het is niet wat rest van de mens, het is wat de mens heeft omhuld, dat onze adem doet stokken.

Begraven of cremeren, wij willen van al onze collega’s weten waarvoor ze kiezen. De meesten willen een crematie. Je bent langer dood dan levend. Als na tien jaar de grafrechten vervallen, moeten nabestaanden harde beslissingen nemen: het graf laten ruimen of geld neertellen (610 euro) voor de verlenging van het contract. Hoe dood de dood is, ondervinden Hans, Eric en Rabinder dagelijks. Zij zien bij het openen van een graf tot wat het lichaam verworden is, en bij ruimen waarnaar de resten verdwijnen. Achter een wilgenhek ligt de bottenkuil. Hans – sinds dit voorjaar christen – is de enige die onder de grond wil, maar dan wel in het grafmonument met kelder dat hijzelf restaureerde en dat honderd procent waterdicht is.

Uitvaart

Door lommerrijke laantjes lopen we voor onze metamorfose naar de werf – de thuishaven van de medewerkers. Onderweg lachen we de bladerenjongens toe. Van september tot maart vegen zij de takjes op. Toegewijd en bijna onzichtbaar wordt door iedereen gezorgd. Eeuwenoude bomen en struiken vragen bijzonder onderhoud, de graven eervolle verzorging. De bekleding van het graf is gevoelig: een verkeerde handeling kan het hart van een nabestaande direct raken.

Onze werkbroeken en laarzen verruilen we voor een stemmig grijs mantelpak. Rechtop en met de handen gevouwen, staan we naast medewerker Jeroen voor de ingang van de aula. Hij staat strak in zijn pak, in zijn oor prijkt een groen blaadje. Net als wij, werkte hij vanochtend in de buitendienst. De medewerker begraafplaats beheerst alle taken en voert ze afwisselend uit. Als de lijkwagen stapvoets een lange schaduw trekt, tonen wij met een knikje respect.

De kist wordt niet direct naar het graf gedragen, dit is geen ‘doorloper’. In de aula bereiden we samen met de begrafenisondernemer het afscheid voor. De Graaff vergelijkt het nummer van de kist met dat van de registratiepapieren. Haest bevestigt het identificatieloodje aan de kist. We drukken de knop ‘orgel’ in. Met Jeroen trekken we ons terug in de zijkamer. Op de monitor boven ons hoofd komt de plechtigheid in vage grijstinten bij ons binnen. We horen sprekers, luisteren doen we niet. Hoe anoniemer het blijft, hoe beter wij functioneren. Als de tranen hoorbaar worden, slikken we.

In de andere zijkamer huizen de dragers. We schrikken van hun leeftijd, er zijn er bij die de tachtig ruim halen. De oude vogels wachten zittend in hun smal toelopende krijtstreep en zwart verenkleed. De hoofdtooi naast zich neergelegd, hun wangen roze van couperose. Gemiddeld hebben de heren tien draagies per week. Zij zijn een dagdeel aan het werk en vangen 25 euro bruto per keer. De kaarten gaan over tafel. „Ik ben mijn leven lang al linksdragend.” „Viagra helpt mij de kist omhoog te krijgen.” Klaverjassen en gezelligheid, dat is hun winst. Soms wordt een overledene op handen gedragen door de Leidse studenten-draag-vereniging, maar standaard zijn het niet de jonge goden die je naar het hiernamaals brengen.

De zoemer gaat, wij zijn ‘voorloper’. Het vertrek is nabij. Als de dragers – we houden ons hart vast – de kist op de schouder hebben gezet, nemen wij de eerste stap. In andante lopen wij voor de stoet uit en wijzen de weg. We voelen het zwart achter ons aan trekken. Blaadjes dwarrelen op een zacht briesje, het grind knerpt, bezoekers trekken zich terug. Alle werkmachines houden hun mond. Gisteren kwam de stoet te vroeg naar buiten, dat bracht het gevoelige schema in de war. De buitenploeg velde net met luide machinekracht een boom.

Op het zeventien hectare grote park zijn zeventienduizend graven. Tussen onvergetelijke Marianne en lieve opa Herman bevindt zich de grafkuil. De dragers krijgen van ons een subtiel stopteken, we controleren of het graf in orde is – mechaniek, dennentakken, geluidsinstallatie – en laten de dragers en nabestaanden toe. Jeroen bedient onopvallend de knop. De kist zakt zachtjes de aarde in.

Afsluiten

In ons werkkloffie staren we naar een verlaten kist op de bodem van het graf. Op het mahoniekleurige hout liggen een bloemenkrans, flakkerende waxinelichtjes en gestrooide lelies. Stil bezien wij de laatste groet. De Graaff laat zich in het graf zakken om het mechaniek te verwijderen. Behoedzaam plaatst ze haar voeten bij het afdalen om geen schade te berokkenen. De toegepaste techniek behoort tot de categorie ‘begraafgeheimen’. De tijdelijke grafduiding vermeldt slechts voorletter, achternaam en sterfdatum. We dekken een leven af waarvan wij het verhaal niet kennen. Die onwetendheid maakt dat De Graaff rustig kan balanceren.

Bij het begraven van een kind of jongvolwassene is er geen ontkomen aan, dat leed breekt door alle anonimiteit heen en gaat van mond tot mond. Jong weggenomen, het went nooit en blijft fluisteren over de begraafplaats. Tuinbaas Hans neemt ons mee naar zijn gevoelige plekken. De plaats waar een moeder nog elke dag huilt om het verlies van haar kind. De foto bij het graf van een jonge meid, door de dode hoek van haar leven beroofd. De professional kan zich niet te allen tijde afsluiten. Soms wordt het te zwaar, dan kun je op verzoek ingedeeld worden bij het snoeien van de bomen,

Zachtjes landt de eerste schep zand op de kist. Dit mag niet met teveel geweld gebeuren, want de kist draagt niet elke last. Begraven gebeurt met speciaal zoet zand met puntige korrel. Dat zand laat voldoende zuurstof door, zodat het lichaam mooi kan vergaan, is goed voor de bomen en zakt niet zomaar in. De bekisting kan eruit, met de graafmachine vult Rabinder de kuil. De laatste laag effenen we met de schep. Haest komt aanrijden met de shovel en stort zachtjes een dekentje van vruchtbare aarde over het graf. De duisternis meldt zich vroeg in de herfst. Met het invallende donker verdwijnt het leven op de begraafplaats, bezoekers en medewerkers trekken zich terug en keren huiswaarts. Er zijn medewerkers die hier liever niet ronddwalen in de duisternis. Anderen voelen de zielen graag in de neergedaalde rust tot leven komen. Wij hebben het deksel gelicht en knijpen er tussenuit. We laten de dood bedaren.

www.zorgvliedonline.nl