Griekse goden zijn ook nu zo gek nog niet

Emeritus hoogleraar aan het Wellesley College (Massachusetts, VS) en auteur van ‘Greek gods, human lives’ en het nog te verschijnen ‘History Lesson’.

Prominente niet-kerkelijke en atheïstische commentatoren betogen de laatste tijd dat religie het leven van de mens ‘vergiftigt’ en eindeloos geweld en leed veroorzaakt. Maar niet religie, maar het monotheïsme is het vergif. De Grieken, die polytheïsten waren, eisten niet de dood van mensen die andere goden aanbaden, en hadden evenmin de pretentie dat hun religie op alles een antwoord had. De oude Grieken werden zich door hun religie bewust van hun onwetendheid en zwakte, waardoor zij oog kregen voor verschillende standpunten.

De Griekse goden waren niet alleen belichamingen van natuurkrachten, maar onafhankelijke wezens met transcendente vermogens, die de wereld en alles erin beheersten. Sommige goden, zoals de godheden van rivieren en bossen, waren strikt plaatsgebonden. Andere goden, zoals Zeus, zijn broers en zusters, en zijn kinderen, waren universeel. Zeus communiceerde niet rechtstreeks met de mensheid, maar zijn kinderen – Athene, Apollo en Dionysus – wel. Van alle goden stond Athene Zeus het naast; zonder haar bijstand kon geen van de grote helden iets bijzonders tot stand brengen. Apollo kon stervelingen laten weten wat de toekomst in petto had. Dionysus kon de menselijke waarneming beïnvloeden, waardoor mensen dingen zagen die er niet waren. Hij werd in de Oudheid aanbeden als de god van het theater en van de wijn. In onze tijd zou hij de god van de psychologie zijn.

Zeus, de oppergod, handhaafde zich door een combinatie van slimheid en onovertroffen kracht. Hij hield niet alle macht aan zichzelf, maar gunde andere goden rechten en privileges. Een kenmerk van de Griekse theologie was dat zij openstond voor gedachtenwisseling en onderzoek. Het idee is dat collectieve besluiten vaak leiden tot een beter resultaat. Respect voor uiteenlopende standpunten is een wezenlijk element van de coöperatieve regeringsvorm die de Atheners ‘democratie’ noemden.

Het bestaan van veel goden verklaart gemakkelijker dan het monotheïsme, dat er kwaad en verwarring in de wereld is. Een sterveling werd misschien gesteund door de ene god, maar had zich de vijandschap op de hals gehaald van een andere. Die kon hem belagen wanneer zijn beschermer afwezig was. Maar in de monotheïstische tradities, waarin God alomtegenwoordig is en altijd goed, krijgen steeds de stervelingen de schuld als er iets misgaat, ook al laat God het kwaad toe in de wereld die hij heeft geschapen.

Omdat in de oud-Griekse religie de mensheid losstond van de goden, kon zij zich bij hen beklagen zonder de schuldgevoelens of de vrees voor vergelding die de God van het Oude Testament inboezemde. Stervelingen konden vrijelijk speculeren over de aard en de bedoelingen van de goden. Door toe te laten dat stervelingen lastige vragen stelden, moedigde de Griekse theologie hen aan om te leren, om alle mogelijke oorzaken van gebeurtenissen na te speuren. De filosofie had haar wortels in zulk theologisch onderzoek. De natuurwetenschap eveneens.

Het is paradoxaal, maar het sterkste punt van de oud-Griekse religie is dat zij in staat was de feilbaarheid van de mens te erkennen en te aanvaarden. Stervelingen moeten niet denken dat zij alles weten.

De mensen die waarschijnlijk het beste weten wat er moet gebeuren, zijn profeten die rechtstreeks geïnspireerd worden door een god. Maar profeten stuiten onvermijdelijk op weerstand, omdat de mensen alleen maar horen wat zij willen horen – of het nu waar is of niet.

Stervelingen maken vooral gemakkelijk fouten op het moment dat zij menen te weten wat ze doen. De goden kennen die menselijke zwakte heel goed. Als zij besluiten met de stervelingen in contact te treden, doen zij dat altijd indirect, door middel van tekenen en voortekenen, die de stervelingen vaak misverstaan.

Het wereldbeeld van de religie van de oude Grieken is in veel opzichten aannemelijker dan wat de monotheïstische tradities te bieden hebben. De Griekse theologie neemt stelling tegen blind vertrouwen – gebaseerd op onrealistische verwachtingen – dat uiteindelijk alles wel goed zal komen. Dat soort gezonde scepsis over de intelligentie en de prestaties van de mens is thans harder nodig dan ooit.

© Los Angeles Times.