Er was eens een hakkelaar

Hij wilde journalist worden. Maar schrijven ging hem niet goed af, en spreken nog minder. Daarom werd hij fotograaf.

‘D-d-dit w-w-w-wordt een w-w-w-wereldprent,’ glundert de fotograaf. Hij is vaste medewerker bij weekblad Het Vrije Waasland en, als hij een primeur heeft, freelancer bij de best betalende gazet van ’t land. Hij geeft plankgas. Een einder tegemoet die oplicht in de zomeravond – de onderkant van enkele dunne wolken flakkert grillig, onmiskenbaar vlammen weerkaatsend. „K-k-kallo staat in b-b-brand”, besluit de fotograaf, met evenveel ontzag als hoop in zijn stem. „Of m-m-minstens het stadhuis van D-d-doel.”

Ik zit naast hem op de rand van de versleten voorbank, reikhalzend, met beide handen steun zoekend bij het dashboardkastje. Dit type wagen bezit nog geen aparte stoelen voor chauffeur en passagier, zoals de moderne luxewagen van een andere vriend van mijn ouders. De hendel van de schakeling zit nog ouderwets rechts van de stuurstang. Onze vaart lijdt er niet onder. We schieten voort, richting Antwerpen, over een gloednieuwe snelweg die baadt in een voorheen ongekend oranje licht. De gloed van de vooruitgang.

Ik let er niet op. Ik blijf staren naar de rode gloed van de horizon.

Fotograaf was niet de eerste roeping van onze vriend des huizes. Op mijn leeftijd droomde hij al van een bestaan als journalist. Maar van kindsbeen af heeft hij problemen met taal. Schrijven ging hem niet goed af, vertelt hij vaak. „En sp-spr-spreken nog m-m-minder.” Trauma’s heeft hij er niet aan over gehouden: „In m-m-mijn gezelschap l-l-lachen de mensen t-t-tenminste.”

Heel soms klinkt spijt door. Als hij het verhaal vertelt van zijn enige interview, met een knappe actrice die hij al jarenlang bewonderde. Zij gunde hem een kwartier en begon al na de eerste minuut op haar horloge te kijken. Hij werd er nog zenuwachtiger van. „En mijn vr-vr-vragen d-d-d-dúúrden al v-v-vier keer l-l-langer dan haar ant-antw..., haar ant-antw...” Ik: „Haar antwoorden?” Hij: „Voilà.”

Het interview werd nooit geplaatst. Sindsdien, zegt hij, vertrouwt hij alleen nog op de kracht van het beeld. „De t-t-toekomst is aan de f-f-f-foto.”

Bij nieuwe ontmoetingen breekt hij de onwennige sfeer door zelf grappen te vertellen over stotteraars. Zoals vanmiddag nog, aan de overladen picknicktafel in openlucht, op het gazon voor het weekendhuisje dat mijn ouders eigenhandig hebben gebouwd.

Het was een zonovergoten dag, windstil. De roséwijn en de pils vloeiden rijkelijk, de sfeer was uitgelaten. Totdat een neef van moeders kant kwam aanwaaien en de boel vergalde met doemverhalen over het lot van Linkeroever — onze kant van de Schelde. Op de andere oever ligt de stad van de Sinjoren. „Alles moet wijken voor de nieuwe dokken van die klotenhaven. De rijkste poldergrond van Europa? Afgegraven, opgespoten. De boeren worden afgescheept met een aalmoes, er zijn al dorpen verdwenen, ook Doel is ten dode opgeschreven. Een schande! Met dank aan de dieven en dikkenekken van ’t Stad!”

Met malende kaken valt de neef stil. Amper veertig, en hij mankeert al tien tanden. Hij rookt net zo goed per dag anderhalf pakje Gauloises zonder filter. Tot vanmiddag kenden we hem als een goedlachse, ongetrouwd gebleven Pallieter die kerk noch staat erkende, en die met onverwoestbaar optimisme en geloof in groenten van eigen kweek waakte over zijn erf als over een klein koninkrijk. Hij nam mij soms mee om vinken te vangen, met een klapnet. Hij leerde mij nekjes omdraaien met mededogen, snel en handig, me berispend als ik het lijden door gestuntel verlengde.

De onbehaaglijke stilte om de picknicktafel wordt onze vriend de fotograaf te veel. Hij begint zijn favoriete mop te vertellen. Er was eens een hakkelaar. Vooral aan de telefoon stotterde hij dat het een aard had. De dokter suggereerde: „Probeer eens te zingen in plaats van te spreken?” En verdraaid! Hij hapert en hakkelt niet meer. Maar hij vertikt het om de hele tijd te beginnen zingen. „Ze lachen me al genoeg uit. Foert!”

Totdat, op een schone dag, zijn huis in lichterlaaie staat. Hij belt de brandweer. „Ja, hallo?” hoort hij aan de andere kant. Je moet zingen, denk hij, je moet zingen! En hij begint, op de wijze van een bekend volksliedje, te zingen: „Mijn huis, dat brandt! Mijn huis, dat brandt!” Waarop de brandweerman overneemt, met het refrein: ‘Wieze-wieze-wies, bom-bom!’ En inhaakt. Omdat hij dus dacht, die brandweerman, dat hij te doen had met een grappenmaker. En die hakkelaar staat daar, in zijn brandend huis, met de hoorn van de telefoon nog in zijn hand.

De neef, nog altijd met kaken malend van woede, moet zich de clou drie keer laten uitleggen. Hij vertrekt hoofdschuddend, zonder een woord.

Hoe dichter we bij Antwerpen komen, hoe duidelijker het wordt dat de brand niet woedt op de linkeroever, maar aan de Antwerpse kant van de Schelde. We nemen de oude smalle tunnel (‘de konijnenpijp’) en rijden, gegidst door de gloed, noordwaarts de nachtelijke haven in.

Over amper afgewerkte wegen. Tussen silo’s en torens gemaakt van containers. Langs aangemeerde donkere tankers en geheimzinnige complexen die, met hun honderden lampen en een wirwar van buizen, lijken op neergestreken ruimteschepen. Een gigantische mast torent boven dit alles uit. Zijn kroon spuwt vuur. De vlammen moeten hoger zijn dan tien, twaalf meter. Als de fotograaf uitstapt hoor ik een machtig, angstaanjagend bruisen, tot het portier weer dichtklapt. Ik zie hem vertwijfeld knielen en toch een foto nemen. Van het hele petrochemische complex, de fakkelmast erbij. Hij zucht als hij weer instapt. „Ik p-p-peins niet d-d-dat het een p-p-pr-primeur is.”