De stelling van Arnold Heertje: Absurd dat de gemeente Den Haag het Couperushuis niet redt

Redders van het Couperushuis trekken lering uit onderzoek van Nobelprijswinnaar voor de Economie Hurwicz naar ‘sociale constructies’ om een bepaald doel te bereiken, zegt Arnold Heertje tegen Elsbeth Etty.

U heeft in juni het initiatief genomen voor een comité om het huis waarin Louis Couperus woonde te redden. Waarom moeten particulieren dat doen? Is het geen taak van de overheid dit cultuurgoed voor de gemeenschap te behouden?

„Het huis aan de Surinamestraat 20 in Den Haag waar Couperus zijn debuutroman Eline Vere schreef, staat te koop voor 2,7 miljoen euro. Toen ik las dat de gemeente Den Haag het niet wilde kopen van de Egyptische ambassade die er sinds 1927 in zat, ben ik gaan bellen met het Louis Couperus Museum en heb gezegd: dit is te gek voor woorden, we moeten iets doen.”

Heeft u de heer Rijkman Groenink al benaderd, die heeft zojuist 26 miljoen euro geïncasseerd.

„Voor een wanprestatie! Het is een uitwas van het financiële kapitalisme dat dit soort dingen gebeuren.”

Daarom kunt u toch best vragen of hij niet een klein deeltje van het geld kan teruggeven aan de samenleving?

„Het is waar dat dit soort bedragen die iemand domweg in de schoot krijgt geworpen een enorm maatschappelijk rendement kunnen opleveren. In Amerika is het heel gewoon dat mensen die heel veel geld hebben verdiend dat uitgeven aan cultuur, musea, universiteiten. In Nederland zou dat ook kunnen. Maar ik ben niet in de positie om zomaar geld te vragen van rijke mensen. Ik kan als econoom wel een actie ontketenen om de financiering van zo’n project als het behoud van het Couperushuis rond te krijgen. Een belangrijk punt is wél dit niet van één persoon of instelling afhankelijk is, maar dat je een gezamenlijkheid krijgt, het idee: we doen met zijn allen mee.”

Als de overheid het Couperushuis koopt en er een museum van maakt is het toch ook van ons allemaal?

„De overheid denkt alleen maar in termen van geld. Voor mij is de aankoop van zo’n Couperushuis de concretisering van de algemene gedachtegang die ik heb over ‘echte economie’. Daarbij gaat het niet alleen over geld en dingen die via de markt verlopen. Het gaat in hoge mate om kwaliteit en het behoud van zaken die lang niet altijd gekwantificeerd kunnen worden of in geld kunnen worden uitgedrukt maar die toch van belang zijn. Dat geldt voor gezonde lucht, behoud van de natuur, milieu, geestelijke leefbaarheid en óók cultuur, het gaat om niet reproduceerbare goederen. Als De Nachtwacht verbrandt, is dat schilderij voorgoed verloren.”

U doet alsof iemand heeft voorgesteld het Couperushuis te slopen. Zo erg is het toch niet?

„Als dat pand wordt gekocht door een marktpartij die er appartementen van maakt waardoor het hele Louis Couperus-element verdwijnt, dan is er een niet-reproduceerbaar goed vernietigd. Als we daar later spijt van krijgen, kunnen we het niet meer terughalen. Daarom heb ik mijn vinger opgestoken. Niet omdat ik een Louis Couperuskenner ben, het gaat om het idee.”

U wilt dat huis dus niet redden voor het plezier van een kleine club Couperus-fans?

„Nee. Het bleek trouwens al snel dat er buiten de kring van Couperusliefhebbers een enorm draagvlak bestaat voor het behoud van dit pand. Het bleek helemaal niet moeilijk om mensen als Frits Bolkestein, Alexander Rinnooy Kan, Helga Ruebsamen, Arnon Grunberg, Koos Andriessen, Mieke van der Weij – enfin een hele rij uiteenlopende figuren, bereid te vinden zich achter dit initiatief te plaatsen.”

Wat is tot nu toe bereikt?

„In de eerste plaats dat het thema op de agenda staat. Verder heeft de Egyptische ambassadeur toegezegd kalm aan te doen met de verkoop. Formeel is het huis nog te koop op de markt, maar er is geen enkele belangstelling voor en dat komt mede doordat deze beweging er is. Iemand die nu dat huis wil kopen om er appartementen van te maken, krijgt het erg moeilijk. Er komt een stichting die zich in de eerste plaats ten doel stelt de benedenverdieping te kopen om daar het Louis Couperus Museum te vestigen. Wij zijn daarover in onderhandeling met een partij uit de sfeer van onroerendgoedontwikkeling.”

Dus de publieke sector laat het helemaal afweten?

„De gemeente Den Haag heeft uitdrukkelijk gezegd: hier hebben wij geen geld voor. Ik vind dat hoogst ongelukkig. Je ziet dat zo’n afweging vaak afhankelijk is van privéopvattingen van mensen over wat ze wel en niet belangrijk vinden. Het is absurd dat Den Haag geen 3 miljoen euro over heeft voor het Couperushuis. Dit zo zijnde, moeten er dus burgers opstaan die zeggen: dit kan niet.”

Valt het u tegen dat de minister van Onderwijs en Cultuur Ronald Plasterk niets van zich laat horen?

„Ik denk niet dat de overheid hiermee wegkomt. Als de stichting er eenmaal is, als er concrete plannen zijn voor wat er met dat hele huis kan gebeuren is het betrekkelijk eenvoudig om de middelen die nodig zijn te betrekken uit de publieke sector en eventueel uit particuliere bronnen. Dat kunnen individuele bijdragen zijn van mensen die honderd euro storten op een rekening, maar ook substantiële bedragen van particulieren die zich dat kunnen veroorloven. De publieke sector bestaat uit drie partijen: de centrale overheid, zeg maar Plasterk, de provinciale overheid en de gemeente Den Haag. Met andere woorden: in tweede instantie komen we weer terecht bij de gemeente en dan wil ik nog weleens zien of ze nog steeds niet mee willen doen.”

Waarom zou men daar van gedachten veranderen?

„Omdat het dan niet meer om die drie of – de renovatiekosten meegerekend – 3,5 miljoen euro gaat, maar om een kleinere bijdrage. Op de manier zoals wij het voorstellen is de aankoop een volstrekt haalbare kaart. Als zo’n project op de markt wordt gezet – zoals in eerste instantie het geval was – en de overheid laat het afweten moet je het anders aanpakken: in de geest van de Nobelprijs voor Economie, Leonid Hurwicz, Eric Maskin en Roger Myerson.”

Het Comité tot redding van het Couperushuis voert de ideeën van de Nobelprijswinnaars uit?

„In zekere zin wel. Hurwicz heeft veel nagedacht over ‘sociale constructies’ om een bepaald doel – zoals het behoud van het Couperushuis – te bereiken. Is overheidssteun gewenst, zo ja, hoe kan die het beste geregeld worden? Het gaat om het ontwerpen van een mechaniek, een constructie die werkt, die wat oplevert tegen zo laag mogelijke transactiekosten. U deed zojuist als suggestie dat één iemand, in casu Rijkman Groenink, zoiets op zich neemt. Nou, de transactiekosten om het langs die weg tot stand te brengen zijn vele malen hoger dan wanneer je een constructie maakt in de vorm van een stichting. Het gaat erom dat je een samenwerkingsverband krijgt van mensen die eerst achter een project gaan staan, zonder dat ze zelf geld geven, maar het met hun naam ondersteunen. Vervolgens komt dan een fase waarin doordringt dat het behoud van een belangrijk cultuurgoed voorziet in de behoeften van mensen. Dat is de essentie.”

Dus het gaat louter om het creëren van draagvlak?

„De Nobelprijs economie van dit jaar is terecht getypeerd als een prijs voor zuivere economie. Wat wij met dat Couperushuis proberen, illustreert de praktische betekenis van de theorie van Hurwicz: hoe voorkomen wij dat dit huis op de markt verdwijnt? Door de optimale combinatie te vinden van publieke en private elementen. Op die manier kun je je doel bereiken met veel lagere transactiekosten dan wanneer één man of vrouw de boel zou financieren.”

De vraag is natuurlijk of dat draagvlak ook daadwerkelijk bestaat. Er zijn misschien urgentere goede doelen dan het behoud van het huis van een dode schrijver.

„Dat draagvlak is er stilzwijgend en moet alleen maar gemobiliseerd worden. Het geeft mensen over het algemeen een kick om samen iets goeds te doen. We geven iets door uit het verleden aan een volgende generatie. Wij gaan niet iets verknoeien wat niet verknoeid hoeft te worden. Ik heb van niemand in de samenleving gehoord: wat een schandaal dat jullie je energie steken in een schrijvershuis. In tegendeel. Ik heb alleen maar gehoord: wat goed dat jullie dit doen.”

Niet van de Haagse wethouder van Cultuur.

„Erg teleurstellend, want het educatieve aspect van dit schrijvershuis is verreweg het belangrijkste. Mijn herinnering aan het werk van Louis Couperus gaat terug tot mijn middelbare schooltijd. Wij moesten voor ons eindexamen veel Nederlandse literatuur lezen, zoals Eline Vere, waar ik helemaal in op ging. Daarna heb ik er nooit meer naar gekeken. Maar als je voor een klas staat, en je kunt met je leerlingen naar zo’n huis gaan en zeggen: kijk, hier is dat boek geschreven, kijk, daar ligt de eerste druk en noem maar op – dan geef je hun de mogelijkheid zich in de schrijver en zijn tijd in te leven.

„Iedereen heeft het over de verloedering van het onderwijs. Het besef groeit dat we weer terug moeten naar kwaliteit. Het in ere houden van je grote schrijvers hoort daarbij.”