De lange Haagse zoektocht naar hulp in Uruzgan

Zo’n vijftig Slowaken, ongeveer evenveel Hongaren en 200 Georgiërs komen de missie in Uruzgan mogelijk versterken. Maar hoeveel moeite kostte het Den Haag die steun in Oost-Europa los te krijgen?

Als minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen op 12 september de Hongaarse hoofdstad Boedapest bezoekt, is het debat over het verlengen van de Nederlandse missie in Uruzgan in volle gang. Hij is er om de papieren oprichting bij te wonen van een Nederlands-Vlaams cultuurfestival in Boedapest dat februari 2008 van start gaat. De plechtigheid is niet heel dringend. Het echte doel van het uitstapje blijkt als Verhagen zich tot zijn Hongaarse ambtgenoot Kinga Göncz wendt met een klemmend verzoek: is Hongarije bereid de Nederlandse missie in Uruzgan te steunen?

Göncz’ antwoord is een ferm ‘nem’, Hongaars voor ‘nee’. De Hongaren hebben in oktober 2006 al de plaats van de Nederlanders overgenomen in de noord-Afghaanse provincie Baghlan, waar eerst Nederlanders (vanaf 2004) het Provinciaal Reconstructieteam leidden. Het is genoeg zo, vindt Göncz. Hongarije heeft in totaal duizend man uitgezonden voor verschillende missies in de wereld, en dat is het afgesproken maximum. Göncz krijgt het in het Hongaarse parlement niet voor elkaar die limiet op te rekken. „U kunt op onze morele steun rekenen”, zegt Göncz. „Meer zit er niet in.”

Teleurstelling op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag. Kort daarvoor hadden de Indonesiërs ook al ‘nee’ gezegd. Terwijl Nederland een verhaal nodig heeft. Een verhaal om na 1 augustus van het volgend jaar in Uruzgan te kunnen blijven. Verlenging is volgens direct betrokkenen alleen te verdedigen als behalve de 900 Australiërs die de circa 1.700 Nederlanders nu al bijstaan, nog meer landen in de Uruzgan-coalitie kunnen worden opgenomen. Het doel is tweeledig: het politieke draagvlak wordt verbreed en bovendien kan het aantal Nederlandse militairen worden teruggebracht. Bij dat laatste gaat het meer om de beweging, dan om de hoeveelheid.

Minister Verhagen besluit zich niet neer te leggen bij de Hongaarse weigering. Hij heeft nog een troefkaart achter de hand: Jozias van Aartsen. De oud-minister van Buitenlandse Zaken is die dagen ook in Boedapest, in zijn nieuwe rol als coördinator namens de Europese Unie in het Nabucco-project, de door de EU geambieerde gaspijpleiding van de Kaspische Zee-regio naar Europa. Van Aartsen woont in Boedapest een Nabucco-conferentie bij.

Als minister (1998-2002) had de VVD’er nauw contact met de toenmalige Hongaarse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Zsolt Németh van de rechts-conservatieve partij Fidesz, de partij die thans in Hongarije felle oppositie voert. Németh is nu voorzitter van de commissie Buitenlandse Zaken in het Hongaarse parlement. Een sleutelfiguur. Als de Nederlanders de Hongaren over hun ‘duizend-man-grens’ willen duwen, dan is Németh de man met wie moet worden onderhandeld.

In Boedapest wordt een ontmoeting geregeld tussen Németh, Van Aartsen en de Nederlandse ambassadeur.

[Vervolg Lobby: pagina 3]

Missie met minder militairen en meer partners

„Ik sprak met Németh over de Hongaarse positie in het Nabucco-projekt,” zegt Van Aartsen vanuit Den Haag. „De Nederlandse ambassadeur , zo was de afspraak, zou dan het dossier-Uruzgan nog insteken.”

Némeths partij Fidesz wordt toch beschouwd als een „soort zusterpartij” van de VVD, zegt van Aartsen. „Het gesprek verliep prettig, Németh was duidelijk positief.”

Van Aartsen fungeerde als perfecte bijzit, als de man op het juiste moment op de juiste plaats – het paste in de regie van minister Verhagen die zelf op een ‘nee’ was blijven steken. Németh beloofde de Nederlanders in het Hongaarse parlement geen bezwaar meer te maken tegen overschrijding van de duizend-man-grens.

Op dat moment bleek buurland Slowakije ook al bijna om. De Slowaken zijn bereid vanaf volgend jaar een uit 35 militairen bestaande bewakingseenheid voor de Nederlandse basis in Tarin Kowt te leveren, plus een tiental instructeurs voor het Afghaanse leger. Wederom niet veel, maar wel weer een bondgenoot erbij, aldus de gedachtegang op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Slowakije was ‘bewerkt’ sinds het staatsbezoek van koningin Beatrix in mei van dit jaar. Vanaf dat moment besprak minister Verhagen de zaak regelmatig met zijn Slowaakse ambtgenoot Eduard Kukan die hij persoonlijk goed kent vanuit het Europese Unie circuit. Ook premier Balkenende polste zijn Slowaakse ambtgenoot tijdens Europese toppen. „Onze twee landen hebben steeds goed overleg gehad’’, aldus de Slowaakse minister van Defensie, Frantisek Kasicky, die deze week aanwezig was bij de NAVO-bijeenkomst in Noordwijk en daar de nodige schouderklopjes in ontvangst mocht nemen. Volgens hem betaalt Slowakije „alles zelf’’. Daarmee is zijn land vooralsnog verder dan Hongarije dat na de toezegging direct lieten weten geen financiële armslag meer te hebben voor een nieuwe operatie. Bij de overdracht van de Baghlan-missie in 2006 van Nederlandse in Hongaarse handen bleven de Hongaren al achter met een schuld aan Nederland van drie miljoen euro. Nu de toezegging van de Hongaren en de anderen er is, lossen we het financiële probleem gezamenlijk wel op, zeggen ingewijden.

Voor het Nederlandse kabinet is vooral van belang dat als straks besloten wordt over het vervolg van de Nederlandse missie er twee nieuwe partners gepresenteerd kunnen worden; NAVO-partners nog wel. Dan zijn er nog de minimaal 200 militairen voor Uruzgan die Georgië om niet geheel belangeloze redenen vorige week in de aanbieding deed. De voormalige Sovjet-republiek wil graag lid worden van de NAVO en heeft daar wel wat voor over. Bij het ministerie van Defensie bestaat twijfel over de inzetbaarheid van de Georgiërs. In het overleg met Buitenlandse Zaken is smalend gesproken over militairen die zich bewegen in „voertuigen op vierkante wielen”. Waar Buitenlandse Zaken dan weer tegenin bracht dat het om zeer goed, door de Amerikanen getrainde en voordien in Irak gelegerde troepen gaat.

En er was natuurlijk deze week ook nog Frankrijk dat enkele tientallen instructeurs voor het Afghaanse leger in het zuiden aanbood. Een aanbod dat een dag later al weer veel van zijn glans verloor door de mededeling van de Franse minister van Defensie Hervé Morin dat Frankrijk niet van plan was gevechtseenheden naar het gebied te sturen.

Kan Nederlandse kabinet volgende maand eigenlijk nog wel ‘nee’ zeggen tegen verlenging van de missie in Uruzgan? Alles wijst op een verhaal waarin gesteld wordt dat Nederland na 1 augustus volgend jaar in Uruzgan doorgaat met minder eigen militairen, maar meer partners. Met dank aan Hongarije, Slowakije en Georgië. Weinig indrukwekkend? „We zijn nog met andere landen in gesprek”, zegt een betrokkene in Den Haag.