‘De Groene’ geeft redacteuren de ruimte

‘De Groene Amsterdammer’ bestaat 130 jaar. Hoe staat het met de toekomst van Nederlands oudste opinieblad? Bart Funnekotter peilt de stemming op de redactieburelen

De Groene Amsterdammer viert vanavond een feestje. Het weekblad bestaat 130 jaar en dat 26ste lustrum wordt vanavond in de Amsterdamse Schouwburg op gepaste wijze luister bijgezet. Een dj volstaat voor een beetje Groene-lezer natuurlijk niet om de soirée in lichterlaaie te zetten. Het echte vuurwerk komt van gasten als Michel Houellebecq, John F. Gray, Pascal Bruckner en Geert Mak. Zij zullen hun licht laten schijnen over onderwerpen als ‘De invloed van de publieke intellectueel’ en ‘Pornonorm – probleem of verschijnsel’. Nog even snel een kaartje kopen? Dat zit er niet in. De avond is al weken uitverkocht.

Maar, De Groene Amsterdammer, is dat niet dat weekblad dat al decennia lang vecht tegen de ondergang? Elke Kerstmis moet er toch een bedelbrief de deur uit om de begroting sluitend te krijgen? Het blad bedrijft een beschouwende vorm van journalistiek, essayistsich, is niet zozeer gericht op het nieuws van de dag. Is daar nog wel een markt voor?

Confronteer een redacteur van het tijdschrift met deze bedenkingen, en de reactie is over het algemeen flegmatiek. Koen Kleijn, hoofdredacteur ad interim, verwoordt het zo: „De Groene heeft al jarenlang een stabiele oplage van rond de 15.000 exemplaren. Van alle andere opinietijdschriften, behalve Elsevier, is de oplage gekelderd. De lijnen in de grafiek begin elkaar te naderen.”

geen mobiele telefoons

Het is woensdag, drie weken voor het feest, de dag dat de redactie vergadert over het nummer van de volgende week. De redacteuren druppelen het pand aan het Westeinde binnen. Aan de overkant van de straat staat het gebouw van De Nederlandsche Bank gewichtig te doen. Een fraaier contrast met de redactieburelen is nauwelijks denkbaar. Het pand heeft betere tijden gekend, maar het interieur van studentenhuiswaardig meubilair en opbergkasten van ver voor het Ikea-tijdperk geven het geheel een prettige, rommelige sfeer. „Exemplarisch voor De Groene”, meent Kleijn.

Op de deur van de vergaderruimte hangt een sticker van een mobiele telefoon met een rode streep erdoor. „Dat is een erfenis van het bewind van Hubert Smeets, de vorige hoofdredacteur”, zegt redacteur Pieter van Os, die vervolgens, zo blijkt tijdens de vergadering, vergeet zijn gsm ook daadwerkelijk uit te zetten.

Op de redactie wordt volop gerookt. Niet alleen tijdens de vergadering, maar ook op de diverse kantoorkamers die de redacteuren met elkaar delen. Een rookvrije werplek? Die ontwikkeling is tot de redactie van het oudste opinieblad van het land nog niet doorgedrongen.

Kleijn opent de vergadering. Voor hem ligt de planning van het jubileumnummer, dat over ‘de publieke intellectueel’ gaat. Veel staat al vast, maar deze bijeenkomst is dé gelegenheid voor redacteuren om met elkaar van gedachten te wisselen. Joeri Boom, die vaak in door oorlog verscheurde buitenlanden verkeert, zegt: „Deze vergadering is het ankerpunt van mijn week. Pas als ik na terugkomst uit Uruzgan hier aanschuif, ben ik écht thuis.”

Stagiaire Sara Kee zegt dat ze graag een reportage over paddo’s wil maken. En dan niet even een smartshop in en kijken hoe makkelijk je iets meekrijgt, maar zelf een dag achter de toonbank staan. Prima idee, vinden de andere aanwezigen. Ze mag er twee pagina’s over schrijven. Kee: „Dat is het mooie van het stage lopen hier. Je wordt meteen serieus genomen.”

blad met meer impact

Ronald Plasterk passeert de revue, met zijn opmerking over de ‘pornoficatie’ van de Nederlandse cultuur. Redacteur Margreet Fogteloo blaast rook uit, geagiteerd. „Daarover heb ik dus vier jaar geleden al een hele reeks artikelen geschreven. Nu wordt de rest van de media ook wakker.”

Op haar kamer voegt ze daar later aan toe: „Dat is in een notendop wat er leuk én vervelend is aan het werken bij De Groene. Je hebt de kans om over zaken te schrijven waarmee niemand anders zich bezighoudt. Maar dat wordt dan ook door weinig mensen opgemerkt. Soms wil je wel eens dat je werkte voor een blad met meer impact.”

Een redacteur van De Groene Amsterdammer moet zijn werk vooral doen omdat hij het leuk vindt. Het salaris is minimaal. Pieter van Os wordt vanaf 1 november redacteur bij Vrij Nederland, zoals wel meer Groene-redacteuren voor hem. „Ik verdien daar straks net zoveel als de hoofdredacteur hier. Maar dat is niet de reden dat ik vertrek hoor.” Lachend: „Na een jaar of acht moet je hier weg, anders word je gek.”

Joeri Boom is dat niet met Van Os eens. Hij liep in 1995 stage op de redactie en is sindsdien aan het blad verbonden gebleven. „Ik heb hier iets moois opgebouwd. In De Groene kan ik vaak meer de diepte in dan collega’s die schrijven bij andere bladen. Ik krijg ook meer ruimte. Een stuk van 1500 woorden (ongeveer zo lang als dit artikel, BF) is toch wel de norm.”

Maakt hij zich geen zorgen over het feit dat slechts 15.000 mensen er geld voor over hebben om die lange stukken van hem en zijn collega’s te lezen? „Nee, met piekeren ben ik allang gestopt. Er is in Nederland gewoon een groep mensen die onze krant wil lezen. Die is klein, maar stabiel. Daarom hoeven we geen concessies te doen.”

Niet iedereen blijft zo stoïcijns als Boom, als het om de oplage van het blad gaat. Fogteloo zegt dat ze elke week tussen de wimpers van één oog door kijkt naar de lijst met oplagecijfers die hangt op het secretariaat. Daar kan ze inmiddels haar conclusies uit trekken. „Dode dichters doen het goed in de losse verkoop.”

Hoewel De Groene de kleinste van de opiniebladen is, is dat voor Fogteloo geen reden „om de Calimero uit te hangen. Ik zie het schattige van dat kleine ook niet zo. We hoeven niet arrogant te zijn, maar het gaat hier wel om een blad met een zekere statuur.”

martin van amerongen

Marja Pruis, verantwoordelijk voor het katern Dichters en Denkers, geeft toe dat de cijfers op ‘de lijst’ haar soms kunnen aanvliegen. Het leven van een redacteur van De Groene Amsterdammer is vol onzekerheden. „Toen Hubert wegging, dacht ik ‘daar verliezen we weer een hoeksteen’. Maar De Groene glijdt ook hier wel doorheen. Net zoals bij de dood van Martin van Amerongen (de voorganger van Smeets, BF). Iedereen die hier werkt, voelt zich verbonden door zijn liefde en verantwoordelijkheidsgevoel voor de krant.”

En als de nood aan de man komt, is er nog altijd de trouwe lezersschare. Kleijn: „Toen Martin van Amerongen zich een keer schertsend liet ontvallen dat er geen geld meer was voor paperclips, stuurden mensen onmiddellijk doosjes paperclips op. Zo hecht is die band.”

De komende Kerstmis kan de bedelnap wellicht in de kast blijven. De Groene Amsterdammer maakte de afgelopen jaren zowaar winst. Dit voordeel had echter ook een belangrijk nadeel, vertelt Kleijn. „Bij het Bedrijfsfonds voor de Pers hadden we nog een lening uit de jaren tachtig uitstaan. Of we die even wilden aflossen nu het toch zo goed ging?”

Op het redactiesecretariaat werpt financieel administrateur Dirk Groenendijk een kritische blik op de oplagelijst. Hij juicht niet, maar is ook niet ten dode bedroefd. „Het is opvallend om te zien dat de advertentie-inkomsten die van de losse verkoop aan het overtreffen zijn. Wie had dat ooit kunnen denken?”

Groenendijk werkt al dertig jaar voor De Groene. Samen met secretaresse Trinette Koomen, die sinds 1963 aan het blad verbonden is, vormt hij het collectieve geheugen van de redactie. „Ik kom uit de tijd dat De Groene Amsterdammer nog een uiterst links blaadje was”, herinnert Groenendijk zich. „Echt een actiekrant. Dat mag van mij wel weer een beetje terugkomen. Wat er bijvoorbeeld in Guantánamo gebeurt, dat is toch een schande? Maar goed, de redactie beslist over de inhoud. Daar bemoei ik me niet mee.”

Over een maand of zes moet die redactie een nieuwe primus inter pares hebben gevonden, vertelt Fogteloo, die in de sollicitatiecommissie zit. „De nieuwe hoofdredacteur moet er voor gaan zorgen dat nog duidelijker wordt wat De Groene allemaal in huis heeft. De exposure moet beter.”

Vanavond in de Schouwburg zal de onmiddellijke toekomst er even niet toe doen. Lezers en medewekers gaan fijn voetje van de vloer in de gelukkige wetenschap dat hun relatie al 130 jaar stand houdt. Aan zo’n innige affaire komt vast nooit een einde. Toch?