De dood rijdt niet mee op de wielerbaan

Na een dodelijk ongeluk begon vorig seizoen de discussie over veiligheid in het baanwielrennen. Wereldkampioen sprint Theo Bos: „Een renner die zich veiliger voelt, neemt meer risico.”

AMSTERDAM, 27 OKT. - Patrick Sercu, één van de grootste zesdaagserenners aller tijden, neemt een drafje op de wielerbaan van Amsterdam. Hij zegt al lopend: „Als ik nu val, kan ik ook doodgaan – als ik pech heb.” Sercu is organisator van de Zesdaagse van Gent, waar de Spaanse wielrenner Isaac Gálvez vorig jaar op tragische wijze om het leven kwam. Hij klapte met zijn borstkas op een ijzeren reling in ’t Kuipke. Gálvez overleed ter plaatse.

Het ongeluk voedde de discussie over veiligheid op en rond de wielerbaan. Wereldkampioen Theo Bos maakte zich hard voor extra veiligheidsmaatregelen. Na het ongeval van Gálvez bemerkte hij onveilige situaties voor de baanrenners. „Als je de kans op dodelijke ongevallen kunt terugdringen, waarom zou je dat dan niet doen?”

Aan Bos’ opmerking werd gehoor gegeven. Frank Boelé, organisator van de zesdaagsen in Rotterdam, Maastricht en Amsterdam, liet extra vangnetten plaatsen bij demontabele banen; banen die in feite los worden geplaatst in een accommodatie. Daarnaast zijn er ook stootkussens en gummiranden aangebracht om een zachte landing te garanderen. „De baan in Amsterdam is goedgekeurd door de UCI. We hebben hier niets hoeven veranderen.”

Theo Bos zag onlangs in Japan dat baanwielrenners voorzien waren van American Football-outfits. Schouders, armen, benen; alles was stevig ingepakt om veiligheid te kunnen garanderen. Is dat de toekomst van het baanwielrennen? Bos: „Het ziet er misschien spectaculair uit, maar voor mij hoeft het niet. Iedereen heeft daar z’n sleutelbenen wel eens gebroken. Een renner die zich veiliger voelt, neemt ook meer risico.”

Bos vergelijkt baanwielrenners met auto’s. „In een ouwe bak ben je je ook meer bewust van omgeving en rijgedrag. In een nieuwe auto voel je je veiliger, maar het leidt ook tot onachtzaamheid.” De wereldkampioen ziet meer in kleine aanpassingen van de baan. „Waarom maken we die balustrade bijvoorbeeld niet twintig, dertig centimeter hoger? Dan weten we zeker dat er niemand overheen kiepert.”

Frank Boelé zag vorig jaar zo’n ongeval gebeuren. „Ik liep de baan op, zag twee fietsen liggen en maar één renner. Ik keek paniekerig om me heen. Die renner was over reling het publiek ingevlogen. Zo’n renner staat altijd wel weer op, alleen het publiek heeft de schrik van z’n leven.”

Boelé heeft zijn vraagtekens bij het ophogen van de reling. „Wat is het praktisch nut?”, vraagt hij zich af. „Een fataliteit is nooit uit te sluiten.” Na het dodelijk ongeval in Gent inspecteerden experts de baan op gebreken. Conclusie: de wedstrijdorganisatie viel niets te verwijten, dodelijke ongelukken horen bij topsport.

Zo’n conclusie is hard. De dood en baanwielrennen? Nee toch. Voor het noodlottige ongeval van Gálvez waren de Belgen Stan Ockers (1955) en Fernand Wambst (1969) omgekomen tijdens het baanwielrennen. Vaak gebeurt het dus niet. Veel wegrenners, die een zakcentje verdienen tijdens de zesdaagsen, halen dan ook hun schouders op als de veiligheid ter sprake komt. Neem de weg, zeggen ze dan, met die gekke rotondes, lantaarnpalen en bloembakken.

Matthé Pronk onderschrijft dat, al is hij wel voorzichtiger geworden na het ongeval van Gálvez. „Ik ben me meer bewust van het snelheidsverschil. Als ik van koers verander, kijk ik echt wel twee keer om.” Het ongeluk van Gálvez ontstond nadat de Belg Dimitri De Fauw van zijn lijn afweek. Gálvez probeerde nog uit te wijken, maar dat lukte niet. Hij kwam hard in aanraking met de balustrade. Pronk, peinzend: „Hoe voorkom je zoiets? Normaal heb je wat schaafwonden en splinters in je kont. Dan trek je een nieuwe broek aan en ga je weer verder. Met de dood hou je geen rekening. Zoiets wil niemand meemaken.”

Op de baan worden topsnelheden van zestig, zeventig kilometer per uur bereikt. „Die snelheid is te danken aan onze aërodynamica,” stelt Bos. „Een paar jaar geleden reden wij nog met helmen die flinterdun waren. Dat is nu verboden. Het was gevaarlijk, wel sneller. Als wij met lichaamsbescherming gaan rijden, zal de snelheid ook afnemen.”

Dernygangmaker Bruno Walrave betwijfelt of aanpassing van de reglementen nut heeft. „Je kunt alle regels van de wereld bedenken, maar een menselijke fout blijft een menselijke fout. Je weet dat zoiets kan gebeuren, alleen je staat er nooit bij stil.” Volgens hem is de dood van Gálvez inmiddels uit de hoofden van veel renners verdwenen. „Zoiets slijt heel snel. Een week na zo’n ongeval is iedereen dat alweer vergeten.”