Bruxelles, Brussel, Brussels

In België speculeert men over de opsplitsing van het land. Maar wat moet er dan met de hoofdstad gebeuren? „In Brussel heb je het gevoel dat je, in je eigen land, in het buitenland zit.”

Veel toeristen op de Grote Markt zal het zijn ontgaan. Maar de Belgische vlaggen die uit de ramen van een aantal monumentale gebouwen hangen, zijn niet voor hen bedoeld. Ze zijn een stil protest tegen politici die praten over opdeling van het land. Buiten het centrum van Brussel hangen er nog veel meer. Elke dag komen er nieuwe bij.

„Hoogst uitzonderlijk, die vlaggen”, zegt schrijver en Brusselaar Geert van Istendael. „Ik heb er nog nooit zo veel gezien.” Ze hangen vooral in wijken met autochtone Franstalige Brusselaars. Maar veel vlaggeraars hebben wel een tweetalige achtergrond, zegt Van Istendael. „Zo zijn er veel mensen in Brussel. Als wij een familiefeest hebben, als er iemand trouwt of wordt begraven: dat is altijd tweetalig. En dat gaat altijd zonder problemen.”

Honderdnegenendertig dagen wordt nu geprobeerd een nieuwe Belgische regering te vormen. En dit gaat niet zonder problemen. De reden: tegenstellingen tussen Franstalige en Vlaamse politici. Het lijkt wel of alles draait om Vlaanderen versus Wallonië. Er wordt weer gespeculeerd over splitsing van België. Wat betekent dat voor Brussel, dat wordt bewoond door Frans- en Nederlandstaligen? Hoe ziet de toekomst van de hoofdstad eruit?

„Brussel, daar kom je niet uit”, zegt Geert van Istendael. „Tenzij met krassen op je gezicht.” Je hoeft er wat hem betreft ook helemaal niet uit te komen. Op het moment dat de tegenstellingen in de politiek worden uitvergroot, worden ze in Brussel – midden op de taalgrens – juist kleiner. „In Brussel zijn Franstaligen en Nederlandstaligen de afgelopen jaren bezig naar elkaar toe te groeien”, zegt Van Istendael. „Er zijn mensen die denken dat Brussel aan Vlaanderen zal toevallen, als België uit elkaar gaat. Dat is natuurlijk nonsens. Stel je eens voor. Dan is Vlaanderen tweetalig!” Het is nu al een probleem dat Franstaligen in sommige Vlaamse gemeenten eisen dat ze hun taal mogen gebruiken. Dan zal de Europese Unie eisen dat de Franstalige minderheid nog meer rechten krijgt, zegt Van Istendael. „Het is waarschijnlijker dat Brussel naar Wallonië gaat. Maar dan geeft Vlaanderen de hoofdstad van Europa op, de tweede congresstad in de wereld en het gezicht van België in het buitenland. In het buitenland kent men Belgium. Men kent Brussels. Maar Flanders? Er wordt nu veel gesproken over het geld dat van het rijke Vlaanderen naar het arme Wallonië gaat. Nou, Brussel weggeven, dát zou pas een cadeau zijn.”

Patserig

Geert van Istendael is een van de gezichten van de actie Red de Solidariteit. Samen met schrijver Hugo Claus, choreografe Anne Teresa De Keersmaecker, zanger Arno en enkele honderden andere bekende Belgen, meest Vlamingen, tekende hij onlangs een petitie. Tegen splitsing, vóór solidariteit tussen Vlaanderen en Wallonië. Van Istendael, die een aantal boeken schreef over België en Brussel, ergert zich aan de Vlaams-nationalistische taal van sommige Vlaamse politici. „We zijn te snel rijk geworden”, zegt hij. „Dan word je nouveau riche: een beetje patserig.”

„De grootste stad waar Nederlands gesproken wordt.” Zo omschrijft Geert van Istendael Brussel graag. Want met ruim een miljoen inwoners is Brussel groter dan Amsterdam. Het Brussels, een Brabants-Nederlands dialect dat Geert van Istendael net als burgemeester Freddy Thielemans nog goed beheerst, was vroeger de voertaal. Maar het Frans is vandaag de dag natuurlijk de taal die het meest gebruikt wordt in de Belgische hoofdstad. De precieze verhouding tussen Frans- en Nederlandstaligen is vaak inzet van politieke discussies. Een officiële talentelling is al jaren niet gehouden, want dit ligt te gevoelig. Zeker is dat het aandeel van Nederlandstaligen de afgelopen 150 jaar drastisch verminderd is.

Van Istendael: „In 1846 is de eerste talentelling gehouden. In Sint Lambrechts Woluwe, nu een onderdeel van Brussel, was 0,4 procent Franstalig. Dat waren dus de notabelen, maar niet eens álle notabelen. In Etterbeek, ook Brussel nu, was het 3 à 4 procent. Net als in alle Vlaamse dorpen.

„Dertig jaar geleden werd je op het gemeentehuis uitgelachen als je om Nederlandse papieren vroeg. Ze moesten ze wel hebben, maar ze zeiden gewoon dat ze ze niet hadden. Ik heb het ook wel meegemaakt dat ik in winkels werd uitgescholden omdat ik Nederlands wilde praten. ‘Het Vlaams is een taal voor beesten’, dat was de houding. Nederlands spreken? Je kon net zo goed in je onderbroek naar binnen wandelen. Tot het begin van de jaren tachtig maakte je dat nog wel mee. Dus dat mensen Frans gingen spreken, is niet zo raar. Ze kozen eieren voor hun geld. Het was gewoon nodig als je sociaal wilde stijgen. Vandaag zijn er ook nog wel problemen. In ziekenhuizen is het soms moeilijk Nederlands te spreken, net als in het gemeentehuis. Maar er is veel verbeterd.”

Vlaamse wijk

Rond de Dansaertstraat, vlakbij het centrum van Brussel, is de laatste jaren ook veel veranderd. Dertig jaar geleden was het een vervallen buurt. Nu stikt het er van de galeries, modezaken en designwinkels. In oude panden worden moderne loft-appartementen gemaakt. De laatste jaren zijn hier veel jonge, koopkrachtige Vlamingen komen wonen. Zo veel dat er nu wel gesproken wordt over ‘de Vlaamse wijk’.

Een eindje verderop is de KVS, de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. In het monumentale theater speelde ‘Toneelspelersgezelschap STAN’ vorige week een Franstalige voorstelling, Sauve qui peut. Met Nederlandstalige boventitels. Artistiek leider Jan Goossens van de KVS zoekt de laatste jaren nadrukkelijk samenwerking met anderstaligen in de stad. Dat lijkt voor een buitenstaander wellicht de gewoonste zaak van de wereld, in Brussel is het een kleine revolutie.

‘Dansaert-Vlamingen’ worden ze genoemd, de jonge Vlamingen die de afgelopen jaren naar deze buurt verhuisden omdat ze zich aangetrokken voelden door het kosmopolitische karakter van Brussel. Het is inmiddels zowel een scheldwoord als een geuzennaam geworden. Verschillende Vlaamse politici, onder wie de vooraanstaande socialist Louis Tobback, klaagden dat er wel erg veel geld gaat naar voorzieningen voor de Brusselse Vlamingen. Instellingen als de KVS worden gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor onderwijs en cultuur voor Nederlandstaligen in Vlaanderen én in Brussel. Het was altijd vanzelfsprekend dat Vlaanderen investeerde in Brussel. Brussel is óók de hoofdstad van Vlaanderen: het Vlaams parlement zetelt er. Dus moest het aantrekkelijk zijn voor Vlamingen om er te komen wonen. Maar niet iedereen neemt het mensen als Jan Goossens in dank af dat subsidies nu worden gebruikt om samen te werken met Franstaligen.

„Dat discours over de Dansaert-Vlamingen werkt me wel eens op de zenuwen”, zegt Jan Goossens. „We worden neergezet als potverteerders. Terwijl ik vind dat we veel terugdoen voor het geld dat we krijgen. Godzijdank profiteren niet alleen de Vlamingen in Brussel daarvan. Ik hou er een eenvoudige redenering op na. Onze afzetmarkt is één miljoen Brusselaars.” Naast Franstalige voorstellingen met Nederlandse boventiteling en Nederlandstalige voorstellingen met Franse boventiteling, werkt de KVS dit seizoen ook aan een aantal projecten in het Engels. Programmakrant en website van de KVS zijn al volledig drietalig: Nederlands, Frans en Engels.

Goossens: „We werken ook samen met onze collega’s van het Théâtre National. Die zitten driehonderd meter verderop. Als we iets doen met een theater in Afrika dan zijn er allerlei potjes waaruit we extra geld kunnen krijgen. Maar die samenwerking met onze Franstalige collega’s moeten we financieren uit onze structurele middelen. Dat is natuurlijk een knotsgekke situatie.”

Goossens gaat in tegen de politieke tijdgeest die juist de verschillen tussen Franstaligen en Vlamingen benadrukt. „Ik voel me daar heel goed bij”, zegt hij. „Ik denk dat het vaak de taak is van artiesten om, zonder pretentieus te zijn, nieuwe richtingen aan te geven. Ik geloof dat de toekomstscenario’s voor een stad als Brussel eerder uit culturele middens zullen komen dan uit politieke. De politiek hinkt achterop en kan voor een stuk sabotage zorgen. Maar ik heb het geloof dat we er wel uitkomen. Je kunt Brussel niet verplaatsen naar Vlaanderen of Wallonië. Het ligt er middenin, beide hebben het nodig. Je zal dus wel een oplossing moeten zoeken.

„Veel te weinig Vlaamse politici uit Brussel behoren tot de top van hun partij. Aan Franstalige kant zijn er maar een paar. Misschien dat de good practices die er in Brussel op cultureel gebied zijn, daarom te weinig aandacht krijgen. Brussel wordt bestuurd vanuit Antwerpen, Namen en Ieper.

„Brussel is anders dan Wallonië of Vlaanderen. Ik vind het interessant om hier te werken. Ik heb altijd een beetje het gevoel dat ik in mijn eigen land in het buitenland zit. Als ik in de toekomst in België blijf wonen, dan zal het in Brussel zijn en nergens anders.”

Engels

Ook vlakbij het centrum van Brussel, maar dan aan de andere kant, heb je de Europese wijk. Vroeger was het een chique woonbuurt. Maar veel woningen hebben de afgelopen decennia plaats moeten maken voor kantoorkolossen van de Europese Unie. In navolging van bedrijven gebruikt de EU een aantal gebouwen als enorme reclamezuilen. Eurocraten die hun agenda vergeten zijn hoeven maar omhoog te kijken om te weten over welke onderwerpen het deze week in de EU zal gaan. Eén gebouw prijst de low carbon economy aan. Een ander stelt: equality is a reality.

Philippe Van Parijs woont in de Europese wijk en het valt hem op: Engels wordt steeds vaker de voertaal in dit deel van de stad. Van Parijs is als filosoof en politiek econoom verboden aan de Franstalige universiteit UCL. Hij heeft verschillende artikelen gepubliceerd over het gebruik van talen in Brussel. Hij zegt: „Als ik hier over straat loop, dan zie ik groepjes mensen die Engels met elkaar praten. En vaak is dat niet hun eigen taal.”

Philippe Van Parijs is geboren in Brussel, maar eind jaren zestig vertrokken uit de stad. „Toen ik vijfentwintig jaar later terug kwam, was er veel veranderd”, zegt hij. „In mijn jeugd was Brussel een stad van Franstalige en Nederlandstalige Belgen. Nu vormen die ‘oude Belgen’ een minderheid. Een wijk als Molenbeek is praktisch Marokkaans geworden. In andere wijken trekken de Belgen stilaan weg omdat de prijzen van huizen te hoog worden door de komst van rijke Europeanen.”

Er zijn meer steden in Europa met een grote instroom van arme migranten, zegt Van Parijs. Net zoals er meer steden zijn met rijke migranten die bij internationale instellingen komen werken. En steden met een tweetalige autochtone bevolking. „Maar Brussel heeft als enige alles. Dat verklaart volgens mij de opkomst van het Engels. Iemand die in Parijs bij de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, gaat werken, vindt het vanzelfsprekend dat hij het Frans moet beheersen. Maar je kunt mensen moeilijk vragen er twéé talen bij te leren.” Frans mag dan de voertaal zijn in Brussel, veel Eurocraten wonen in groene, Vlaamse randgemeenten waar Nederlands de officiële taal is.

Een stad die zo is veranderd, kan niet goed meer worden bestuurd door politici die opkomen voor belangen van ‘de Franstaligen’ of ‘de Vlamingen’, vindt Philippe Van Parijs. Kort voor de verkiezingen schreef hij een ‘oproep aan alle Brusselaars’ onder de titel Nous existons – wij bestaan – we exist. Daarin worden politici opgeroepen om „ongeacht de talen die ze spreken, het bestaan van een echte gemeenschap van Brusselaars te erkennen en zich tot doel te stellen deze in haar geheel te vertegenwoordigen”. Ruim tienduizend mensen hebben de petitie inmiddels ondertekend op de website www.bruxsel.org.

Een Brusselse gemeenschap? Ontstaat er dan ook zoiets als een Brusselse identiteit? „Die is er al”, zegt Van Parijs, „maar ik zou graag zien dat die nog wat wordt versterkt.” Hij is actief is in verschillende overlegorganen van Vlaamse en Franstalige academici in de stad. „We hebben wel behoefte aan een beetje Brussels patriottisme”, vindt Van Parijs.

„Er wonen nu minder ‘oude Belgen’ in Brussel dan toen ik jong was. Maar zij die zijn gebleven, hebben heel bewust gekozen voor deze stad. Tot nu toe werden ze in politieke zin beschouwd als ‘Vlaming’ of als ‘Franstalige’. Met ‘Wij bestaan’ willen we laten zien dat we ons niet meer laten reduceren tot een van die twee. Niet dat ik pleit voor een soort Brussels Belang, naar het voorbeeld van het Vlaams Belang. Maar ik denk dat de politieke families in dit land van socialisten, christen-democraten, liberalen en groenen in de toekomst niet meer zullen bestaan uit twee componenten – een Franstalige en een Vlaamse – maar uit drie. Er komt langzaam een Brusselse bij.”

Verder wil Philippe Van Parijs de Brusselse identiteit versterken door het „uitvinden van tradities”. Als voorbeeld noemt hij de autoloze zondag, die in de toekomst vaker moet worden gehouden. En de Zinnekeparade. Dat is een carnavalsoptocht, maar dan iets artistieker, die sinds 2000 wordt georganiseerd in Brussel. Zinneke is de naam van een zijtak van de Brusselse rivier de Zenne. Zinnekes is ook een Brussels woord voor straathonden. Die werden vroeger in die rivier verdronken. En zinnekes is een woord voor mensen van gemengde afkomst, voor Brusselaars kortom.

Sneeuwbaleffect

Wat gebeurt er met Brussel als België barst? Een van de scenario’s waarover dezer dagen wordt gespeculeerd, is dat Brussel een stadstaat zou kunnen worden. Een Brussels DC, dat naar het voorbeeld van de Amerikaanse hoofdstad Washington rechtstreeks door de Europese Unie zou worden bestuurd. Een variant daarop is dat België uiteen zou vallen in drie nieuwe staten: Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Alle drie zouden dan volwaardig lid kunnen worden van de EU.

Philippe Van Parijs ziet het zo ver niet komen. „De Vlamingen zijn geen idioten. Het belang van Brussel voor de Vlaamse én de Waalse economie is te groot. Vlamingen en Walen zouden in dit scenario niet meer zeggenschap hebben over Brussel dan bijvoorbeeld de Kroaten of de Slowaken. En ik denk dat ze wél meer zeggenschap over Brussel willen hebben.

„Zodra je zo’n scenario concreet door gaat denken, stuit je op allerlei problemen. Brusselaars zullen buiten Brussel naar school en naar de universiteit blijven gaan, net zoals mensen van buiten Brussel dat hier zullen blijven doen. Wie betaalt er voor dat onderwijs? En voor de ziekenhuizen? Waar gaan mensen die in Brussel werken belasting betalen? Er werken nu zo’n 15.000 Fransen in België. Daarvoor moet al van alles worden geregeld tussen beide landen. Het lijkt me allemaal heel onwaarschijnlijk.”

Wel waarschijnlijk, denkt Van Parijs, is dat het Engels zal gaan overheersen in Brussel. Vandaag is het Frans onbetwist de voertaal. Maar door de komst van zo veel arme én rijke migranten is het aandeel van mensen die het Frans als moedertaal hebben al gezakt tot onder de vijftig procent, schat hij. „Het zal nog lang duren. Wij zullen al dood zijn. Maar het zal net zo gaan als destijds met het Frans. Dat heeft zich vanaf de vijftiende eeuw langzaam verspreid vanuit het bestuur. Het Engels zal zich langzaam verspreiden vanuit de instellingen van de Europese Unie. Er zullen steeds meer EU-beambten en lobbyisten naar Brussel komen. Op een gegeven moment treedt er een sneeuwbaleffect op.”

Om te illustreren dat een taal soms een lange weg aflegt van elite naar massa, vertelt Philippe Van Parijs een verhaal waarvan niet helemaal vaststaat dat het klopt. Maar het is te mooi is om niet te vertellen. „Je weet toch dat Willem van Nassau in Brussel heeft gewoond, hier vlakbij”, vraagt hij. „Weet je ook waarom hij Willem de Zwijger werd genoemd? Hij sprak goed Duits en Frans, maar niet zo best Nederlands. Een verklaring voor die bijnaam is dat hij nooit vlot Nederlands heeft leren spreken.”