Breek een heilig huis af: hypotheekrenteaftrek

Sommige politici vertonen de beweeglijkheid van een wassen beeld zodra de fiscale aftrek van de hypotheekrente ter discussie wordt gesteld. In het regeerakkoord van het kabinet-Balkenende IV is deze rigiditeit zelfs tot beleid verheven: „Deze kabinetsperiode vinden geen wijzigingen plaats in de fiscale behandeling van de eigen woning. Er zullen ook geen wijzigingen worden voorbereid of onderzocht voor de periode daarna.”

Omwille van de kans op slagen van de coalitievorming was deze afspraak voor een deel begrijpelijk. Terwijl PvdA en ChristenUnie over een beperking van de hypotheekrenteaftrek hadden willen praten, kwam het CDA met een veto. De andere twee coalitiepartners kregen er een generieke beperking van de jaarlijkse huurverhoging voor in de plaats. Intussen loopt het netto nadeel voor de schatkist van de hypotheekrenteaftrek op van 3,8 miljard euro in 1995 en 9,9 miljard in 2005 naar bijna 12 miljard in 2011.

Dat het denken over de aftrek in het regeerakkoord ook min of meer taboe werd gesteld, deugt natuurlijk niet en gelukkig hoeft iedereen die geen deel uitmaakt van deze coalitie zich van zo’n voornemen niets aan te trekken. Dat heeft de VROM-raad, adviesorgaan voor regering en parlement op het gebied van wonen, ruimte en milieu, dan ook niet gedaan. De raad bracht vorige week een rapport uit, waarvan alleen al de titel als een aansporing voor het kabinet en parlement kan worden beschouwd: Tijd voor keuzes.

Volkshuisvesting is een grondwettelijke taak voor de rijksoverheid. Hoe intensief deze inspanningen moeten zijn, is een discussie waard. De invloed van het rijk op de woningmarkt is nu groot. Met een onliberale maatregel als de aftrek van hypotheekrente beïnvloedt het rijk de huizenprijzen. Door de overdrachtsbelasting wordt het kopen van een huis, en dus de doorstroming op de woningmarkt, bemoeilijkt. Met generieke huurmaatregelen worden regionale en lokale verschillen en behoeften genegeerd. Woningcorporaties worden fiscaal bevoordeeld boven particuliere verhuurders.

De bemoeienis van Den Haag met de woningmarkt is te rechtvaardigen voor zover het erom gaat dat ook de laagstbetaalden fatsoenlijke huisvesting kunnen vinden. Maar alle inspanningen ten spijt zijn huurders gemiddeld meer van hun inkomen aan netto woonuitgaven kwijt dan eigenaren: 24,2 tegen 16,1 procent (in 2006). De vraag naar de effectiviteit van het huidige beleid is dus ook aan de orde.

De subsidie- en fiscale regelingen die Den Haag erop nahoudt, scheppen enerzijds een vraag. Anderzijds wordt door de te lage bouwproductie en de schaarste aan beschikbaar gestelde bouwgrond het aanbod beperkt. Dat is vragen om moeilijkheden. Tussen de woonwensen van de bevolking en de praktische mogelijkheden gaapt een kloof. Vooral ‘starters’ merken het als ze nu een huis willen kopen.

Het rapport van de VROM-raad is geen blauwdruk. Het bevat, onder veel meer, een pleidooi voor een geleidelijke opheffing van de hypotheekrenteaftrek, het eigenwoningforfait en de overdrachtsbelasting. In plaats daarvan moet een op het individu gerichte woontoeslag komen. Maar het rapport is vooral een pleidooi om een visie te ontwikkelen die aansluit op de huisvestingsvraag van deze tijd.

De VROM-raad telt leden van uiteenlopende politieke partijen. De belangrijkste auteur van het rapport is een PvdA-lid en de voorzitter van de raad een VVD’er. Het is dus mogelijk: het overbruggen van partijpolitieke tegenstellingen om tot een eigentijds volkshuisvestingsbeleid te komen. Beroepspolitici kunnen daar een voorbeeld aan nemen. De lethargie van het kabinet moet worden doorbroken.

Reageren op de hoofdartikelen? Ga naar weblogs.nrc.nl/weblog/commentaar