Zwijgen met hart en ziel

Ook voor haar tweede roman kon Julia Franck putten uit haar eigen familiegeschiedenis. Over afstomping, uitputting en versterving. En nergens laat ze zich verleiden tot het larmoyante.

Julia Franck: Die Mittagsfrau. S. Fischer, 430 blz. € 19,90. Een Nederlandse vertaling verschijnt komend voorjaar bij de Wereldbibliotheek.

‘Jij wacht hier. Ik ben zo terug’. Dat zijn de laatste woorden die Peter van zijn moeder hoort. Op een stationnetje ergens in het platgebombardeerde Duitsland laat zij hem in de steek.

Hoe die kleine Peter, zeven jaar nog maar, met de rode koffer stevig tegen zich aan geklemd op zijn moeder wacht, dat is een aangrijpend beeld. Het staat in Julia Francks roman Die Mittagsfrau, bij wijze van proloog. Het verraad van de moeder, het verlaten van haar kind, kleurt het hele boek. Meteen vraag je je af: hoe kon zij dat nou doen? En die vertwijfelde vraag blijf je stellen, al is wat er na de proloog komt één lange poging om haar daad te verklaren.

Ja, je gaat Helene begrijpen. Maar je zou zo graag willen dat het anders afliep; wanhopig verzin je een happy end. Het komt zelden voor dat een romanfiguur je zó ter harte gaat. Madame Bovary, Anna Karenina, Medea: de wereldliteratuur kent maar een paar waarlijk tragische heldinnen, mooie, goede vrouwen die toch het foute doen. Helene Würsich in Die Mittagsfrau is zo’n waarlijk tragische heldin. Ze heeft geweldige kwaliteiten, maar daarmee kan ze de tijd niet trotseren, de tijd werkt tégen haar.

Van vlak vóór de Eerste tot vlak na de Tweede Wereldoorlog reikt Francks boek – en Helenes leven. In het Saksische stadje Bautzen groeit ze op. Helene is een gevoelig en buitengewoon intelligent meisje. Al op haar zevende weet ze meer dan haar negen jaar oudere zus. Ze wil studeren, dat is haar hartewens.

Maar niemand neemt haar serieus. Haar vader heeft alleen oog voor zijn vrouw, die hij vergeefs aanbidt. Zijn Selma, een joodse schoonheid, verloor rond hun geboorte vier zonen. Ze ervaart dat als een onverdraaglijk onrecht waar haar gezin voor moet boeten. Van haar dochters, die jongens hadden moeten zijn, wil zij niets weten. Komt Helene toch eens in haar blikveld, dan scheldt ze het kind uit. Franck schetst een ijzingwekkend portret van deze geesteszieke vrouw, die zich verschanst heeft tussen bergen oude troep, omdat ze alleen nog van dingen en niet meer van mensen kan houden.

Selma wordt steeds gekker en uiteindelijk, zo lezen we tussen de regels door, valt ze ten prooi aan het euthanasieprogramma van de nazi’s. Het gaat ook slecht met Helenes vader. Zwaar gewond keert hij terug uit de oorlog, de Eerste. Hij is thuisgekomen om zijn vrouw te zien. Maar die heeft elke belangstelling voor hem verloren. Ernst Ludwig Würsich crepeert in eenzaamheid: alwéér zo’n prachtige schets van een verlaten mens.

Julia Franck trapt nergens in de val van het larmoyante. Haar toon heeft de schuchterheid van Helene. Zo terughoudend als die naar de wereld kijkt, zo afstandelijk en tegelijk supergevoelig is de blik van Franck. Je zou hen helderziend kunnen noemen, de schrijfster en Helene: ze voelen mensen haarfijn aan én ze voelen zich vreemd, omdat ze anders zijn.

Franck zelf, geboren in 1970, vluchtte als kind van Oost- naar West-Duitsland en voelde zich nergens thuis. In het Oosten vond men haar te slim, in het Westen wensten klasgenootjes haar de Ostpocken toe, een door de Koude Oorlog gedicteerde ziekte. Het is na te lezen in Lagerfeuer, Francks autobiografisch getinte roman over een Oost-Duits gezin in een West-Duits opvangkamp.

Ook voor Die Mittagsfrau putte Julia Franck uit haar eigen familiegeschiedenis. Haar vader werd in 1945, op de vlucht voor de Russen, door zijn moeder verlaten. Nooit sprak hij daarover. Hij keerde in zichzelf en zijn dochters groeiden op met een afwezige vader, zónder vader haast. Om de leegte van die moederloze vader en die vaderloze dochters op te vullen begon Franck zich voor te stellen wat voor vrouw haar grootmoeder van vaderskant moest zijn geweest.

De schrijfster bekende dat alles de afgelopen maanden met enige aarzeling, in een reeks lezingen. Franck is nu hot in Duitsland, want ze heeft de Deutscher Buchpreis gewonnen, het Duitse equivalent van de Booker Prize.

Morfiniste

Julia Franck houdt zich beter staande dan haar personages. Neem Martha, Helenes grote zus. Martha wordt morfiniste. Ze steelt het gif uit het ziekenhuis waar zij als verpleegster werkt en ze raakt eraan verslaafd in de periode dat ze zo vriendelijk is om het haar stervende vader toe te dienen. In het tweede deel van de roman gaan Martha en Helene naar Berlijn. Ze trekken in bij een wufte tante die zelf ook drugs gebruikt. Het zijn de Goldene Zwanziger, de jaren waarin alles kan. Terwijl Martha haar gezondheid verliest in het nachtleven, bloeit haar zusje op. Helene – en alweer moeten we iedere associatie met de Bouquetreeks vergeten –, ontmoet de liefde van haar leven.

Die Mittagsfrau is opgebouwd als een klassiek drama. Met precies in het midden een hoogtepunt, dat een keerpunt is, richting catastrofe. Want net als de schuwe Helene met haar Carl wil trouwen krijgt hij een fataal ongeluk. De scène waarin Helene zijn moeder bezoekt is een van de treurigste van dit niet aan droefheid arme boek. Beide vrouwen rouwen, maar contact komt niet tot stand, ze vinden geen troost voor elkaar.

Vanaf dat moment raakt het grote thema van Die Mittagsfrau in een stroomversnelling. Dat thema is het verstommen. Van de afstomping, de uitputting, de versterving. Die loopt gelijk op met de ondergang van fascistisch Duitsland. Aan het begin en aan het eind van het boek zitten we middenin de bombardementen. Op Stettin, Helenes derde woonplaats. Verkoolde lijken liggen in het trappenhuis en in het ziekenhuis waar Helene, ook zij is verpleegster, werkt, daar schreeuwen de gewonden om genade. Haar droom om te studeren heeft ze allang opgegeven. Toch omarmt ze haar monotone werk. Ze vlucht erin, alsof het redding kan brengen. Ze offert zich op voor de zieken en verwaarloost haar zoon.

Maagd

Het kind kreeg zij van een ambitieuze nazi. Wilhelm bezorgde de half joodse jonge vrouw, een maagd nog meende hij, prima valse papieren. Maar toen Helene in de bruidsnacht niet bloedde verloor hij zijn respect voor haar. De scènes met Wilhelm gaan over misbruik, vernedering en pure vrouwenhaat – al zou de auteur zulke woorden nooit gebruiken.

Net zomin als Franck met de woorden ‘holocaust’ of ‘jodenvervolging’ schermt. Dit is geen schrijfster die munt slaat uit haar joodse afkomst. Het is een stille ramp die zij optekent. Met haar eigen naam verliest Helene, die in de oorlog Alice heet, ook haar geschiedenis. Ze verdringt die, ze móet die verdringen, wil ze overleven. Ze móet zwijgen, ook tegen haar zoon. Ze zwijgt en versteent. ‘Was ze laf? Hoe moest ze haar zoon vertellen wat voor mensen de joden waren, wie zij was, waarom ze niet spreken kon? Helene beantwoordde zijn lachje niet, ze aten zwijgend vis’.

Ik heb hem niets meer te bieden, concludeert de vrouw die haar kind zo moedig door de oorlog sleepte. Ze denkt: bij anderen heeft hij het vast beter. Zo komt ze tot haar verschrikkelijke besluit. In de epiloog wil ze haar zoon ineens weer zien. Ze reist naar de boerderij waar hij tien jaar geleden terecht is gekomen, maar Peter verstopt zich in de hooiberg. Dat is zijn triomf.

Helene en Peter: ze leven in de verkeerde tijd en op de verkeerde plaats en ze hebben het verkeerde geslacht. Ja, Peter had een meisje moeten zijn, om de herinnering aan zijn vader teniet te doen en om de geborgenheid te geven die zijn moeder alleen bij een vrouw vond, bij Martha. De kleine Helene deelde het bed met haar: ‘In de schaduw van het kaarslicht speelde Helene met Martha’s vlecht. [...] Helene streelde met Martha’s vlechtpunt haar voorhoofd, de haren kietelden haar wangen en haar oren [...]. Elke avond telde Helene Martha’s sproeten. Was ze zeker van het aantal sproeten aan haar linker schouder tot en met de moedervlek boven de wervelkolom, dan schoof ze de vlecht opzij en telde rechts verder’.’

Zo zinnelijk, zo precies en zo teder vertelt Julia Franck. Wat een groot talent.