RAF-sympathisant tegen barbarij

De legendarische Duitse toneelregisseur Claus Peymann maakt geen geheim van zijn sympathie voor de ‘stadsguerrilla’ van de RAF. Dertig jaar geleden ook al niet. „Ik streef eerlijk-heid en ontmaskering na.”

Scènefoto uit ‘Spuren der Verirrten’ van Peter Handke foto Claudia Esch-Kenkel Das Ensemble des BE in einer Szene des Stücks "Spuren der Verirrten" von Peter Handke, das in der Inszenierung von Claus Peymann am Samstag (17.02.2007) am Berliner Ensemble (BE) in Berlin seine Uraufführung erlebt (Foto von der Probe am 14.02.2007). Handkes neues Stück ist ein einfaches Stationendrama. Es sind wie auf einer Kette aneinandergereihte Episoden und Fragmente, aus denen der Momente- und Gegenwartssammler Handke ein Ganzes formt. Foto: Claudia Esch-Kenkel +++(c) dpa - Report+++ picture-alliance/ ZB

De spanning in de zaal is groot. Het is alsof het publiek wacht op een beslissende uitspraak, een belangrijk moment. En ja, na drie kwartier brengt Peymann, zoals iedereen gehoopt had, de RAF ter sprake: „Mij wordt altijd verweten een querulant te zijn, een dwarsligger die op publiciteit uit is. Maar je kunt een schandaal niet ontketenen, een schandaal komt vanzelf. U weet dat ik de tandartsrekening van Gudrun Ensslin heb betaald...”

Er gaat een zucht van herkenning door de zaal. Nu komt het: de RAF, Baader-Meinhof, de Stammheim-gevangenis in Stuttgart, sympathie voor linkse terreur, geweld, bankovervallen, stadsguerilla uit de jaren zeventig. De zaal van de schouwburg van Bochum, een industriestad in het Ruhrgebied, is tot aan de laatste plaats bezet. Honderden belangstellenden luisteren naar regisseur Claus Peymann, de even omstreden als befaamde ‘Theatermacher’.

Hij spreekt zich uit over de plaats van theater in de samenleving, over politieke dromen en over de jaren zestig. Hij weidt uit over de linkse idealen van de Rote Armee Fraktion, die ook de zijne waren, tot op zekere hoogte: „Op het toneel komt het altijd samen, politiek en poëzie. Dafür brauchen wir die Zauber des Theaters”.

Eens betaalde hij een hoge prijs voor het betalen van die tandartsrekening van Gudrun Ensslin. Zo'n dertig jaar later is de sympathie, of in ieder geval het begrip dat eruit sprak voor de terreurbeweging RAF in Duitsland plotseling weer salonfähig geworden.

Regisseur Claus Peymann (70) houdt zijn lezing in het kader van de Ruhr Triennale, het vooraanstaande theaterfestival in het Ruhrgebied, dat dit jaar aan hem was gewijd. Twee regies van zijn hand zijn daar te bewonderen: Spuren der Verirrten, het nieuwste stuk van Peter Handke, en Die Jungfrau von Orleans, een drama over romantiek en revolutie van Friedrich Schiller. Bovendien stond hij zelf op het podium in het speels-satirische stuk Claus Peymann kauft sich eine Hose und geht mit mir essen van Thomas Bernhard.

Na dertig jaar staan in Duitsland de links-radicale acties van de jaren zeventig volop in de belangstelling en heten bijna liefkozend ‘de terreur van toen’. Het najaar van 1977 wordt zelfs poëtisch Der Deutsche Herbst genoemd.

Peymann: „De groep rondom Andreas Baader en Ulrike Meinhof is ontstaan uit het studentenprotest. Als studenten werden zij soldaat en van soldaat werden ze moordenaar”. Hoewel de angst voor aanslagen voorbij is, is de natie nog altijd gefascineerd door deze gewelddadige jongeren en hun buitenparlementaire oppositie. Door het optreden van de RAF raakte Duitsland verdeeld en ontregeld: links steunde de beweging, rechts reageerde met harde tegenmaatregelen.

Maar die tandartsrekening, hoe kwam het daartoe? „Op een dag kreeg ik een brief van een bezorgde moeder... ja, zij was mevrouw Ilse Ensslin. Ze schreef me dat ze een liefhebber van het Staatstheater van Stuttgart was, waar ik toen als intendant werkte. Ze vroeg mij of ik geld wilde afstaan voor een betere tandarts voor haar dochter. De gevangenistandarts behandelde namelijk zonder verdoving. Ik prikte het briefje op een mededelingenbord van het theater tussen oproepen als ‘Woning gezocht’ en ‘Kinderoppas gevraagd’. Ik doneerde geld als daad van christelijke naastenliefde en ging op vakantie.

„Bij terugkeer bleek ik ‘de meest gezochte RAF-sympathisant’. De hetze tegen ons theater was losgebarsten, rechts-Duitsland ontketende een ‘Panikmachine’. Mijn werk werd me onmogelijk gemaakt en ontslag volgde. Ons theater in Stuttgart ligt aan dezelfde tramlijn als de Stammheim-gevangenis waar de RAF-leden als krijgsgevangenen werden vastgehouden. Ik vond dat een onverdraaglijk idee. Ik wilde een voorstelling over Ulrike Meinhof maken naar haar eigen teksten, maar dat verhinderden de gezagsdragers van Baaden-Württemberg, de deelstaat waaronder ons theater ressorteerde”.

Peymanns gift uit 1977 was de meest besproken theatergebeurtenis in het naoorlogse Duitsland. Sindsdien werden zijn regies in conservatieve kring met afgrijzen en hoon ontvangen. Hij is een ‘Bürgerschreck’.

De betaalde tandartsrekening had voor het toneelleven in Duitsland een verstrekkend gevolg: na ontslag kreeg Peymann een aanstelling in Bochum. Wie schetst zijn verbazing dat iedereen van het Staatstheater meeging, van de kassière tot de belangrijkste acteurs. Een verhuizing van meer dan vijftig mensen. Bovendien kocht het publiek uit Stuttgart in het eerste seizoen bijna alle abonnementen op van het Schauspiel Bochum. Dankzij de regies van Peymann met decors van Karl-Ernst Herrmann werd Bochum dé theaterstad van West-Europa.

Zoals vaak in Duitsland en Oostenrijk is de grens tussen theater en politiek niet scherp te trekken. „Mijn generatie was in de jaren zestig en zeventig oprecht bezorgd over de toekomst van Duitsland. Wij ontdekten dat onze vaders een groot geheim verborgen hielden, namelijk dat de leiding van ons land in handen ligt van ex-nazi's. Rechters, vooraanstaande politici, bankiers en werkgevers hadden sterke banden met het nazisme, en hebben dat nog altijd. Velen van hen waren ex-SS’ers. De beruchte ‘Berufsverbote’ waren hiervan een uitvloeisel. Mensen die ervan verdacht werden een linkse signatuur te dragen, werden ontslagen of kregen nauwelijks toegang tot de arbeidsmarkt. Het nazisme regeerde, als een sluimerend kwaad. Daarbij kwam het toenemende kapitalisme en de moordzuchtige oorlog in Vietnam”.

Tijdens een vredesdemonstratie

in Berlijn werd in 1967 de jonge, onschuldige student Benno Ohnesorg door de politie in zijn achterhoofd geschoten. Peymann : „Iedereen praat altijd over de slachtoffers van de RAF, maar het eerste slachtoffer vond de dood door de politie. De agent werd vrijgesproken, hij had zogenaamd uit zelfverdediging gehandeld. Maar de student was ongewapend. Degenen die erbij waren, zoals Ulrike Meinhof, Ensslin, Baader en ik wisten heel zeker: wij moesten een nieuwe tijd brengen. Ik was ervan overtuigd dat kunst de wereld kan veranderen. Intellectuelen als Gudrun Ensslin en Ulrike Meinhof kwamen in opstand en gingen in ondergronds verzet. De wortels van mijn werk liggen bij die aanslag in 1967. Het toneel in Duitsland, vanaf Schiller, Goethe en Von Kleist tot nu, heeft zich altijd tot taak gesteld de machtigen te ontmaskeren en te spreken namens de zwakken. Elke belangrijke schrijver heeft zwarte, apocalyptische visioenen van een wereld die aan mensen met macht ten onder gaat, en tegelijk koestert die schrijver dromen van een betere wereld. Schiller deed dat, Peter Handke en Thomas Bernhard evenzeer. Een kunstenaar moet altijd vervuld zijn van hoop, hoe bitter zijn wereldbeeld ook is”.

De regies van Peymann gaan altijd uit van die hoop. In Spuren der Verirrten van Handke toont hij mensen die op het lege vlak van het toneelpodium dreigen te verdwalen. Ze lopen verdwaasd door bos en stad, suggestief aangegeven door een enkele boom of een gestileerde gevel. Uiteindelijk vinden ze houvast bij een man, een soort wijze nar, die hen de weg wijst. Onlangs is Peymann in Kosovo geweest om te peilen of ze daar voorstellingen kunnen brengen, ofwel Richard III van Schakespeare ofwel dit troostende stuk van Handke. Daar zag hij dat belangrijke mensen in gepantserde auto’s en met gewapende bewakers de schouwburg bezoeken: „In donkere tijden biedt theater de droom van een beter leven, is theater een lichtpunt. Wat wij in de jaren zestig meemaakten was een ontluisterende ervaring. Wij streefden naar een geweldloze, eerlijke maatschappij maar aan de andere kant werd die illusie van regeringswege de grond in geslagen. Na de moord op Benno Ohnesorg zei Ulrike Meinhof: „Wij gaan geweld gebruiken tegen een staat die het geweld gunstig gezind is”’.

Het is deze eerste generatie geweest die banken overviel en aanslagen pleegde op Amerikaanse legerkwartieren. Tijdens de ‘Todesnacht’ van 18 oktober 1977 in de Stammheim-gevangenis pleegden Baader, Ensslin en Jan-Carl Raspe zelfmoord, aldus de officiële verklaring. Volgens velen, onder wie Peymann, werden ze door justitie neergeschoten. De moord door de tweede RAF-generatie op de ontvoerde werkgeversvoorzitter Hanns Martin Schleyer vond een dag later plaats, op 19 oktober in Mülhausen.

„Als je uit politieke overtuiging een bankoverval pleegt, is dat wat anders dan wanneer je een meisje van vijftien ontvoerd, verkracht en tot slot doodt. Dat is barbarij. Maar als u me eerlijk vraagt, dan wijs ik geweld af. Aan de andere kant konden Baader, Meinhof, Ensslin niet anders. Met redelijke argumenten tegen de ‘Berufsverbote’ ageren was destijds in Duitsland onmogelijk; het land vroeg om gewelddadigheid en handelde zelf in gewelddadigheid. Nu wordt de RAF geromantiseerd; het lijken kinky jongelui die met bonjassen, een blitse zonnebril op die vanuit Porsches en BMW’s wat in het rond schoten. Ze hadden een missie: ze ageerden tegen de nazaten van Hitler die in het naoorlogse Duitsland de macht hadden.

„Theater is altijd politiek geladen, dat is eigen aan het genre. Het is een politiek proces om gemeenschappelijk een voorstelling te beleven en daarop te reageren. Het gaat erom dat theater een gedachte losmaakt over de plaats van de mens in de samenleving”. Met deze woorden sluit Peymann zijn referaat af en ontvangt hij een ovationeel applaus. Kort daarop ontvangt hij ons in de kleedkamer om verder te praten. Hij zegt: „Ik ben ooit gevraagd de Stadsschouwburg van Amsterdam te leiden met een groep van internationale regisseurs. Maar ik was te Duits georiënteerd”.

Zijn stem wordt emotioneler.

De grote handen zwaaien door de lucht om zijn woorden kracht bij te zetten. Als voorbeeld van belangwekkend politiek toneel geldt voor hem zijn eigen enscenering van Heldenplatz van Thomas Bernhard, in 1988. Peymann was toen intendant van het Burgtheater, het Weense bolwerk van ‘loden jassen en grijze pruiken’, zoals hij het noemt. „Dit stuk”, zegt Peymann, „heeft Oostenrijk voorgoed veranderd en in tweeën gescheurd. De ‘levensleugens’ dat de Anschluss van Oostenrijk bij het Derde Rijk afgedwongen was, dat Hitler eigenlijk een Oostenrijker was en dat het allemaal meeviel, is voorgoed ontmaskerd. Oostenrijk is in de visie van Bernhard een land, waarin het nazisme diep is verankerd. Zowel de zogenaamd gegoede burgerij als de regering protesteerden tegen opvoering. Boeren deponeerden mest op het plein voor het Burgtheater. We hebben doorgespeeld; de acteurs wilden dat, het publiek dat wenste na te denken eveneens. Theater vermag bewust verzwegen, foute beslissingen uit het verleden opsporen en tonen. Dat Oostenrijkers daar bang voor zijn, zegt veel over die samenleving. Mensen willen graag blind zijn. Ik streef eerlijkheid en ontmaskering na.”

Peymann noemt zichzelf een ‘conservatieve revolutionair’ en een ‘Pruisische dromer’. „Goed theater komt voort uit de geest van weerstand. Een sterk gezelschap is als een roversbende die de vinger aan de pols van de tijd houdt. In mijn dromen ben ik opstandig, maar ik heb strenge Pruisische orde nodig om die dromen vorm te geven. In mijn regie van Spuren der Verirrten laat ik met beelden, zoals stenen, linten en zelfs broodkruimels, zien dat verdoolde mensen toch sporen nalaten. Hun dwaaltocht is niet vergeefs geweest. Dat leert theater: we denken dat het verleden voorbij is, maar het leeft altijd in ons voort”.