Quo vadis, America?

Het nu nog veerkrachtige Amerika riskeert net als het Romeinse rijk ten onder te gaan. Daar waarschuwden wetenschappers al vaker voor. De vraag is of dat klopt.

Cullen Murphy: Are we Rome? The Fall of an Empire and the Fate of America. Houghton Mifflin Co., 262 blz. € 20,–

Nog niet zo lang geleden landde Cullen Murphy, redacteur bij het Amerikaanse blad Vanity Fair, op Shannon Airport in Ierland. Het toeval wilde dat president George W. Bush daar ook net was aangekomen. Op de startbaan zag Murphy de twee jumbojets van de Amerikaanse President, met de Adelaar in het logo op de staart van de vliegtuigen. Rond de presidentiële vliegtuigen was prikkeldraad gespannen, luchtdoelraketten waren in stelling gebracht en Amerikaanse militairen in gevechtstenue moesten de veiligheid van de machtigste man ter wereld garanderen. Ierse tanks rond het vliegveld completeerden de beveiliging. Murphy wist dat de president werd vergezeld door enkele ministers en een paar adviseurs en in het vliegtuig de beschikking had over een eigen arts met een operatiekamer. Het geheel deed hem denken aan een Romeinse keizer op rondreis door zijn rijk. Speciale ambtenaren hadden zijn tocht voorbereid, koks en voorproevers moesten zijn reis veraangenamen en onderweg werd hij permanent beschermd door lijfwachten en soldaten, die vol trots de adelaar van hun legioenstandaard meevoerden.

De in zijn ogen opvallende gelijkenis tussen het uiterlijke vertoon van een Romeinse keizer en de president van Amerika bracht Murphy ertoe om na te gaan of beide rijken meer met elkaar gemeen hebben dan alleen de opzichtige gelijkenissen van de machthebbers. Die historische analogie heeft hij uitgewerkt in zijn vlot geschreven boek Are We Rome? The Fall of an Empire and the Fate of America. Zijn queeste loopt langs zes thema’s die nu in de Verenigde Staten volop in de aandacht staan: het isolationisme van Washington, de Amerikaanse militaire superioriteit, privatisering en corruptie, de rijksgrenzen, de beperkte blik van Amerikanen op de rest van de wereld en de complicaties van een wereldheerschappij. Murphy erkent de gevaren van een vergelijking van de beide grootmachten, maar hij vond sommige overeenkomsten te treffend om ze niet nader te onderzoeken. Om die reden negeerde hij de kritiek van historici die ernstige twijfel hebben of twee rijken uit zo verschillende tijdsperiodes wel vergeleken kunnen worden. Zelfs de felste critici kunnen er niet omheen dat Murphy’s boek een uitdagende bijdrage is in een discussie, waarin al eerder politici, sociologen en historici naar voren hadden gebracht dat de ondanks ‘Irak’ nog veerkrachtige Amerikaanse maatschappij op langere termijn het gevaar loopt dezelfde weg naar verval en ondergang te gaan als Rome.

Een veel genoemd bezwaar tegen de vergelijking tussen Rome en de Verenigde Staten is dat Rome tot de val van het West-Romeinse rijk in 476 al een ruim duizendjarige geschiedenis achter zich had, terwijl de Verenigde Staten onlangs pas de 231ste Onafhankelijkheidsdag hebben gevierd. Voor die kritiek is wel wat te zeggen, maar Murphy brengt daar tegen in dat het tegenwoordig allemaal zoveel sneller gaat. Het Romeinse rijk was gebaseerd op een agrarische economie en daarin kwam al die eeuwen nauwelijks verandering, terwijl de Verenigde Staten vele technologische ontwikkelingen hebben moeten verwerken, waarvan het einde nog niet in zicht is.

POTUS

Een boek als dit draagt het gevaar in zich dat sommige overeenkomsten er met de haren worden bij gesleept, als extra ‘bewijs’ dat beide rijken in veel opzichten op elkaar lijken. Lezers zullen een glimlach niet kunnen onderdrukken bij Murphy’s uitleg dat de term POTUS, die de Amerikaanse geheime dienst gebruikt als afkorting voor de President of the United States, een verwijzing is naar het Latijnse woord potens, dat ‘machtig’ betekent. Even zo goed zou je kunnen zeggen dat de term in verband moet worden gebracht met potus, het Latijnse woord voor drinken, met alle associaties die daarbij horen.

Murphy staat in een lange traditie van mensen die de twee wereldmachten aan elkaar hebben gekoppeld. De Founding Fathers, de grondleggers van de Amerikaanse republiek, wilden in de 18de eeuw het Amerikaanse politieke systeem modelleren naar de politiek van de Romeinse republiek en stelden zich grote Romeinse leiders als Scipio Africanus, Cato de Oudere en Cicero ten voorbeeld. George Washington vond het een eer te worden aangesproken als Cincinnatus, de man die in de 5de eeuw voor Christus Rome kortstondig aanvoerde in de strijd tegen Italische stammen en zich na zijn successen als ambteloos burger terugtrok op zijn boerderij. In de 19de eeuw gingen sommige Amerikanen juist in op de vermeende gelijkenis tussen de opkomende decadentie in de eigen samenleving en het morele verval in de Romeinse keizertijd.

De laatste jaren is het idee van de opkomst, bloei en ondergang van het Romeinse rijk als waarschuwing voor de Verenigde Staten opnieuw in de belangstelling komen staan. Dit resulteerde in een aanzienlijke hoeveelheid wetenschappelijke literatuur, waarin overeenkomsten en verschillen duidelijk worden beschreven. Historicus Charles Maier in zijn Among Empires (2006), de politicoloog Andrew J. Bacevich in The Imperial Tense (2006) en American Empire (2004) en zijn collega Chalmers Johnson in zijn The Sorrows of Empire (2004) vragen zich af hoe Amerika zich dient te gedragen om niet dezelfde weg als het Romeinse rijk te gaan.

Murphy is zo voorzichtig dat hij zich op basis van de vergelijking met Rome niet waagt aan een voorspelling van de toekomst van de Verenigde Staten, maar hij is er wel van overtuigd dat hij kan vaststellen waartoe sommige problemen zouden kunnen leiden. Zo ziet hij een analogie tussen de privatisering en corruptie in de Amerikaanse politiek en het patronagesysteem van Rome. Omdat de Romeinse overheid weinig deed voor gewone mensen, stemden zij bij verkiezingen op een kandidaat die hun in ruil voor hun stem materiële ondersteuning beloofde. Uiteindelijk leidde die patronage tot omkopingen bij de verkiezingen. Murphy schrijft terecht dat het verlenen van gunsten in de Amerikaanse politiek nog veel zichtbaarder is dan in de Romeinse republiek. Het diende zich al aan ten tijde van president Washington, maar toen gebeurde het nog ten dienste van het algemeen belang. Naar zijn oordeel is het nu uit de hand gelopen, en hij verwijst daarbij naar recente misstanden, zoals die van de lobbyist Jack Abramoff, die casinorechten voor Indianen probeerde te regelen via omkopingen en cadeaus in het Amerikaanse Congres en tegelijk zijn opdrachtgevers oplichtte. Ook de betalingen van bedrijven en individuen aan de verkiezingskassen van presidentskandidaten roepen vragen op. De overname door bedrijven en andere privé-instellingen van traditionele overheidsfuncties is eveneens zorgwekkend. Die praktijk strekt zich uit over vele sectoren, variërend van de financiering van openbare universiteiten tot de uitbesteding door de Amerikaanse krijgsmacht van allerlei taken aan bedrijven als Halliburton. Dit alles levert uiteindelijk, naar Murphy’s oordeel, een regering op die wel oog heeft voor privébelangen, maar de publieke zaak verwaarloost.

Het uitgangspunt van het Amerikaanse politieke stelsel is altijd geweest om via een stelsel van ‘checks and balances’ de invloed van corruptie te beperken. Ooit had Rome een zelfde soort politiek systeem, waarin senaat, volksvergaderingen en hoogste magistraten elkaar in toom hielden, maar eerzuchtige politici als Caesar en Octavianus, de latere keizer Augustus, maakten een einde aan de Republiek, waardoor corruptie een grotere rol in de politiek kon spelen. In de Amerikaanse politiek kwam corruptie al snel in verschillende vormen voor. In de steden waren er de ‘politieke machines’, een systeem dat werkte op basis van het verlenen van gunsten en banen in ruil voor stemmen tijdens de verkiezingen. Mark Twain en Charles Dudley Warner dreven in hun roman The Gilded Age (1873) de spot met de corruptie in het Amerikaanse Congres, vooral omdat, zoals Murphy laat doorschemeren in zijn bezorgdheid over recente ontwikkelingen, in de Amerikaanse politiek altijd de norm was gehanteerd dat omkoping niet acceptabel is. De kracht van de Amerikaanse democratie schuilt niet zozeer in de afwezigheid van corruptie als wel in het zuiverend vermogen van het politieke stelsel. In het oude Rome was corruptie minder een onderwerp van debat.

Murphy wijst ook op de analogie van ‘de grenzen’ van de Verenigde Staten en het Romeinse rijk. Het Romeinse rijk was zo groot geworden dat toen de economie stagneerde en de legers niet meer gefinancierd konden worden, de grenzen moeilijk te controleren waren, met het gevolg dat Vandalen, Goten, Alamannen en Hunnen de Rijn en de Donau overtrokken op zoek naar geluk. Protesten van vooraanstaande Romeinen waren er genoeg, maar de immigratie een halt toeroepen bleek onmogelijk. In de Verenigde Staten vragen veel politici om maatregelen tegen de voortdurende illegale immigratie vanuit Mexico, patrouilleren vrijwilligers langs de zuidelijke landsgrens om immigranten tegen te houden en bouwt men zelfs een muur langs een deel van de Amerikaans-Mexicaanse grens.

Nieuwkomers

Maar Amerika is ook een land zonder grenzen dat veel immigranten opneemt, de Amerikaanse cultuur is wereldwijd verbreid en grote Amerikaanse bedrijven zijn internationaal actief. Rome heeft ook altijd nieuwkomers een plaats in de samenleving kunnen geven, in de bloeitijd van het rijk in zeer uiteenlopende functies, in de late oudheid vooral om de tekorten in de legers op te vangen. Volgens sommige historici is de instroom van al die barbaren uit het noorden dé reden voor de ondergang van het rijk. Murphy is het daar niet mee eens. Voor hem is het nog maar de vraag of Rome echt ten onder is gegaan. Het Romeinse rijk mag dan zijn opgegaan in de Middeleeuwse staten, het wezen van Rome is niet verdwenen. Het christendom, de staatsreligie sinds het einde van de 4de eeuw, verspreidde zich over Europa, het Latijn werd de basis voor regionale talen, Romeinse steden bleven bestaan, de mensen dronken wijn als de oude Romeinen, de Romeinse architectuur was nog volop in trek en het Romeinse recht was in veel nieuwe staten van kracht. Aan de hand van deze voorbeelden relativeert Murphy het soms fanatieke immigratiedebat in de Verenigde Staten.

Niemand kan er omheen dat Murphy een interessante problematiek op een originele manier aan de orde heeft gesteld. Getuige de vele reacties in Amerika is het laatste woord over ‘het nieuwe Romeinse Imperium’ nog niet gezegd. Dat geldt zeker voor de slotconclusie, waarin de schrijver aangeeft dat Amerikanen streven naar verandering en verbetering, terwijl de Romeinen een statisch wereldbeeld hadden. Met deze conclusie over een groot verschil in mentaliteit ondergraaft Murphy in zekere zin de talrijke overeenkomsten en gelijkenissen die hij in de voorafgaande hoofdstukken zo nadrukkelijk aan de orde heeft gesteld.