Prikken tegen de klippen op

Het kwetsbare menselijk lichaam kreeg een nieuw pantser door inentingen en antibiotica. Twee studies laten zien hoe er juist door dat succes weer gaten in het pantser vallen.

Arthur Allen: Vaccine. The controversial story of medicine’s greatest lifesaver. Norton, 523 blz. € 26,–

Robert Bud: Penicillin. Triumph and tragedy. Oxford University Press, 330 blz. € 51,–

Begin dit jaar berichtte deze krant over nieuw onderzoek dat had uitgewezen dat de menselijke onderarm de woonplaats is van meer dan 180 soorten bacteriën. De meeste daarvan waren al bekend, maar een deel, toch nog zo’n dertig soorten, was nooit eerder beschreven. Om de ongewenste elementen uit die opdringerige en alom aanwezige microwereld een beetje op afstand te houden, beschikken we gelukkig over een immuunsysteem. Hoe onmisbaar dat is, maakte de aidsepidemie in de jaren tachtig nog eens duidelijk. Iemand met een falende afweer valt ten prooi aan allerhande micro-organismen en bezwijkt binnen de kortste keren.

Naast het immuunsysteem heeft de mens in zijn gevecht met de microben twee grote bondgenoten gecreëerd: de vaccins en de antibiotica. Maar met beide gaat het inmiddels minder goed dan wenselijk is. Dat is althans de boodschap van twee recent verschenen boeken.

De Amerikaanse journalist Arthur Allen staat in zijn toegankelijke en spannende Vaccine. The controversial story of medicine’s greatest lifesaver uitgebreid stil bij de lange geschiedenis van de kunstmatige immunisatie die zich voltrok aan de hand van de pokken. Niemand krijgt de pokken voor een tweede keer, zo wist men al vroeg, en uit dat inzicht ontstond eeuwen geleden de praktijk van de opzettelijke besmetting, met een milde ziekte en op een gunstig tijdstip. Dat bleef altijd een riskante onderneming, zodat Edward Jenners ontdekking van de inenting met koepokstof aan het eind van de 18de eeuw een grote vooruitgang betekende. Die maakte niet echt ziek maar veroorzaakte wel immuniteit.

Het principe om met gedode of sterk verzwakte bacteriën en virussen in te enten om zodoende immuniteit te bewerkstelligen, vond sindsdien tal van nieuwe toepassingen. In de 20ste eeuw kwamen vaccins beschikbaar tegen een hele reeks van kinderziekten: difterie, kinkhoest, polio, mazelen, waterpokken, rodehond, de bof.

Allen weet in Vaccine de opwinding van die zoektocht naar vaccins goed over te brengen, niet alleen voor de betrokken onderzoekers, maar ook voor het publiek. In een mooi hoofdstuk laat hij zien hoe de jacht op een poliovaccin door de Amerikaanse bevolking ademloos werd gevolgd. Nadat het was gevonden, werd het land overspoeld door een golf van euforie. Niet ten onrechte, want het poliovaccin maakte aan een hoop verschrikkingen een einde.

Robert Bud, medewerker van het Science Museum in Londen, maakte met zijn Penicillin. Triumph and tragedy een studie die veel gemeen heeft met het boek van Allen. Ook Bud begint met een historisch exposé. Na de ontdekking van de penicilline-producerende schimmel aan het eind van de jaren twintig duurde het nog meer dan vijftien jaar voordat dit eerste antibioticum als geneesmiddel beschikbaar was. Halverwege 1944, net op tijd voor D-day, konden de geallieerde troepen erover beschikken. Het is een fascinerende episode uit de wetenschapsgeschiedenis, waar Bud verslag van doet met veel oog voor de botsingen van ego’s, de ruzies en rivaliteiten die onvermijdelijk deel uitmaken van de wetenschappelijk onderzoekswereld.

De mogelijkheden van de nieuwe middelen leken lang onbegrensd, laten Allen en Bud zien, maar inmiddels zijn er dompers op de vreugde.

Bud vraagt nadrukkelijk aandacht voor het probleem van resistentie. Penicilline veroorzaakte een revolutie in de medische praktijk. Het wondermiddel schraagde zo’n beetje in zijn eentje het nieuwe gezag en aanzien van de medische beroepsgroep en ging, nadat de naoorlogse schaarste was verholpen, in ijltempo de wereld over. Het werd overal gebruikt en overal in grote hoeveelheden. Ook als het helemaal niet nodig was en ook door mensen die het halverwege de kuur verder voor gezien hielden. Door dit massale en onjuiste gebruik werd voor micro-organismen een omgeving geschapen waarin varianten die ongevoelig zijn voor penicilline en verwante middelen, geweldig in het voordeel zijn.

Hun opkomst was al snel niet meer te stuiten. In de loop van de jaren vijftig leken de resistentieproblemen onoverkomelijk te worden, maar nieuwe antibiotica brachten toen net op tijd uitkomst. De consumptie van antibiotica bleef intussen onverminderd stijgen. In de Derde Wereld zijn ze zonder recept overal verkrijgbaar. In Westerse landen wordt er veel en vaak gemakzuchtig voorgeschreven, volgens Bud. Dat hangt volgens hem samen met nieuwe problemen die zich in de spreekkamer voordeden, waaronder afnemend vertrouwen in de dokter, tijdsdruk en veeleisende patiënten. In het antibioticagebruik bestaan overigens grote nationale verschillen. In Zuid-Europese landen wordt aanmerkelijk meer geslikt dan in Nederland, Duitsland of Scandinavië.

Groeimiddel

Ook buiten de medische praktijk ontstonden ware antibioticaparadijzen. De intensieve veehouderij, waar antibiotica lange tijd als groeimiddel standaard aan het dierenvoedsel werden toegevoegd, ontwikkelde zich de afgelopen decennia tot een effectieve kweekvijver voor resistente bacteriën.

Steeds meer mensen zijn zich bewust van de funeste gevolgen van deze praktijken, schrijft Bud. Sinds een jaar of tien is de antibioticaconsumptie dalende, maar het is de vraag of dat nog zoden aan de dijk zet. De superbugs die niet meer vatbaar zijn voor welke antibiotica dan ook vormen een groeiend probleem. In de ziekenhuizen kampt men met de beruchte ‘ziekenhuisbacteriën’, waarvan MRSA, een multiresistente huidbacterie, de bekendste is, en in de tuberculosebestrijding krijgt men steeds vaker te maken met patiënten die met geen enkele antibioticumsoort nog te behandelen zijn. Het is geen prettig vooruitzicht, maar het tijdperk van de antibiotica zou heel goed eindig kunnen zijn.

De ontwikkeling van resistente bacteriën berust op een biologisch principe dat door menselijk toedoen drastisch is versneld. De problemen met de vaccinatie die Arthur Allen in zijn Vaccine aan de orde stelt, zijn voor de volle honderd procent van menselijke makelij. Zijn boek toont dat de vaccinatiepraktijk altijd weerstand heeft opgeroepen, in het bijzonder bij streng religieuze groepen. Maar die hebben de laatste tijd gezelschap gekregen van andersoortige tegenstanders die het effect van de bestaande vaccinatieprogramma’s ondermijnen.

De moderne bezwaren tegen de vaccinatie zijn divers. Orthodoxe antroposofen zijn de overtuiging toegedaan dat het doormaken van kinderziekten een vitaal onderdeel vormt van de kinderlijke ontwikkeling en dat het daarom beter is dit heilzame proces niet te verstoren. Anderen houden er alternatieve geneeskundige opvattingen op na, worden geïnspireerd door een algemenere onvrede met het moderne leven of zijn vatbaar voor circulerende geruchten dat vaccinatie leidt tot autisme, hersenbeschadiging, auto-immuunziekten of ander ernstig ongerief. Wetenschappelijke evidentie daarvoor ontbreekt, maar dergelijke opvattingen zijn moeilijk te ontzenuwen, gebaseerd als ze vaak zijn op een mengsel van onwetendheid, goedgelovigheid en regelrechte paranoia.

Kritische grens

In een land als Nederland is de vaccinatieweigering een vrij risicoloze handelwijze. Ongevaccineerde kinderen worden afdoende beschermd door hun gevaccineerde omgeving en liften mee op de inenting van anderen. Vaccinatieweigeraars zijn free riders: ze profiteren van een collectief goed, zonder zelf bij te dragen aan de instandhouding ervan. Tenminste, zolang het bij sporadische gevallen blijft. Vaccine maakt echter duidelijk dat er in de VS een krachtige en invloedrijke anti-vaccinatielobby actief is die wel degelijk een bedreiging vormt voor de vereiste vaccinatiegraad. Wanneer die daalt onder een kritische grens – en die ligt behoorlijk hoog, al bij ongeveer negentig procent – dan slaan de oude ziekteverwekkers opnieuw toe.

In Amerika en Engeland is dat inmiddels al aan de gang. De vermeende autisme-connectie heeft in deze landen geleid tot een gevaarlijke daling van de vaccinaties tegen bof, mazelen en rodehond, met als gevolg een heropleving van deze ziekten en hun complicaties.

Het is van een treurige ironie. Naarmate door vaccinatieprogramma’s de ziekterisico’s verminderden, zijn de risico’s van de vaccinatie zelf moeilijker te accepteren, waardoor die programma’s onder vuur komen te liggen. Voor de antibiotica geldt iets vergelijkbaars: naarmate ze massaler worden gebruikt, wordt hun eigen ondergang bespoedigd. Zo dreigen onze beide bondgenoten het slachtoffer te worden van hun eigen succes.