Pinguïns hebben vaste visvrienden

Dwergpinguïns bewegen zich in hun kolonies met honderden of duizenden door elkaar heen. Toch gaan ze het liefst met dezelfde vaste vrienden en vriendinnen uit vissen.

Een pinguïnkolonie lijkt een grote onoverzichtelijke bende, waarin iedereen maar wat doet. Maar als je microchips in de dieren aanbrengt, kun je een computer laten bijhouden wie met wie optrekt. Rond het Australische Philip Island hebben biologen dat nu gedaan met dwergpinguïns. Die zijn maar veertig centimeter klein, maar hun kolonies zijn groot. En dan blijkt opeens dat sommigen komen altijd sámen ergens langs komen. Ze paraderen samen naar het water, vissen samen, en komen weer samen terug, in clubjes van vijf tot tien dieren. Jaar in, jaar uit – als oude vrienden. Die voor ons zo op elkaar lijkende vogels in kelnerpak herkennen elkaar dus heel scherp.

Ze vinden elkaar voor elk visuitje door opvallend te paraderen. Een begint opzichtig heen en weer te lopen – Komt vrienden, de zee roept! – en daar komen de vaste vismaten al aangeschuifeld. Even later duikt het clubje eendrachtig in het water.

Vissen gaat bij pinguïns een stuk beter met samenwerking, zeker als je elkaar goed kent en allemaal nogal goed bent. Vissen is voor pinguïns een teamsport – samen vissen najagen en insluiten werkt het best.

Het klinkt mooi en vriendschappelijk. Dat is het natuurlijk ook, maar het is wel net zo als met teamleden kiezen bij partijtjes voetbal. Sommigen worden nooit als eerste gekozen. Anderen mogen zelfs niet eens meedoen. De nu ontdekte visclubjes bestaan vooral uit volwassen pinguïns in de bloei van hun leven. Te jonge pinguïns, te oude pinguïns, te kwakkelige of te onhandige pinguïns – die komen niet in zo’n vaste vriendenclub. Zij worden nooit gevraagd. Jaloers kijken ze naar de sterrenteams van populaire pinguïns die voorbij schieten. Zelf vissen ze dapper alleen, of met wie ze toevallig in zee tegenkomen. Dat kan ook leuk zijn, hopen we dan maar.