Mijn dood

The night was dark.

They usually are.

The Chimp - Laurel & Hardy

Ook hij die geen enkele heilsverwachting koestert, ontkomt, als hij zich op zijn einde bezint, niet aan eschatologische overpeinzingen. En zeker niet als je een opvoeding hebt genoten die je, met dit in rouw gedompelde ondermaanse, dit omfloerste tranendal als leerschool, als het ware leek klaar te stomen om voor het examen Eeuwig Leven, aan gene zijde van het graf, cum laude te slagen. De verstikkende braafheid die van de jongeling geëist werd die van huis uit de veldmaarschalksstaf der eeuwigheid in zijn ransel had, noopte tot kniediep in het stof der ootmoed nederbuigen of heidens uitbarsten.

Waar is de bevrijdende secularisatie begonnen? Waar werd voor het eerst het verwaten kweeksel der predestinatie overwoekerd door de wilde planten van het ongeloof. En wanneer werden voor de eerste keer tussen het bleke broodbakkersgoud, dat masochistisch scheen te smachten (Si le grain ne meurt!) naar blinkende en klinkende sikkels, de felle kleuren zichtbaar van klaproos en korenbloem en verhieven zich de stekelige vruchten van de doornappel en de giftige bessen van de wolfskers boven de brave aren uit?

Het begon op nogal jeugdige leeftijd, de vertwijfeling en ontworteling, toen ik nog amper gepokt en gemazeld was in de leer der uitverkiezing. En het begon met de dieren, Toen ik acht jaar was ging onze kat dood. Zonder enig ceremonieel werd het aan de niesziekte gesuccumbeerde beest in de brandgang begraven en ik ben het geluid van de schep door de sintels nooit vergeten.

Achteraf klonk het na in mijn herinnering als de knersing der tanden van degenen die het eeuwige leven niet deelachtig zullen worden, want mijn vader zei, na mijn herhaald aandringen aan de rand van die kleine groeve terwijl bij iedere schep aarde meer van de lapjesvacht verdween die ik zo vaak gestreeld had, dat dieren niet in de hemel komen omdat ze geen ziel hebben. Dat was voor mij het einde. Zonder dier geen hemels vertier. Dan ging ik later net zo lief niet dood of ik bleef bij de laatste bazuinstoot liggen waar ik lag. Dieren geen ziel! Als je het trage temende gebalk dat het uitverkoren volk zondags tijdens de kerkdienst in psalm na psalm uitstootte, vergeleek met de zuivere zang van de eerste de beste merel, zou ik wel eens willen weten wie er bezield was en voor wie de hemelpoort potdicht moest blijven.

Toen ik wat ouder was kreeg die opstandige levenshouding een meer filosofische basis. Hoewel ik nog niet in staat was om het helder te analyseren en te formuleren, begreep ik dat geboorte en dood de alfa en omega waren van het leven. Twee vruchten van een en dezelfde boom. Dat je daarmee tevreden moest zijn want dat je anders een hel maakte van je leven. Wie zijn bord leeggegeten heeft krijgt niet voor de tweede keer opgeschept. Dat is een onwrikbare natuurwet.

Wat moesten ze daarboven trouwens met die oudoom van me vaderskant. Zijn godganse leven had hij in deemoed en godsvrucht versleten en de psalmen en bijbelteksten stroomden klaterend en klaar uit hem als water uit de rots. Als God hem toen tot zich had geroepen, had er op die besproken plaats daarboven een alleszins respectabel schepsel gezeten. Maar een halfjaar voor zijn dood sloeg de seniliteit toe.

Wat hij kennelijk zijn hele leven had weten te onderdrukken kon hij op de valreep nog ruimschoots kwijt. Tussen zijn oudemannetjesgeneuzel door ging hij onoirbare taal bezigen waarbij vloeken en verwensingen nog tot de zachte sector behoorden. Binnen korte tijd vervuilde hij zo dat zijn oorschelpen als vlerken dubbelklapten van de schurft en het vloerkleed rondom zijn crapaud op den duur op een paddestoelententoonstelling leek waar brand was uitgebroken die men met de schuimblusser te lijf was gegaan. En hij werd zo incontinent dat zijn beddegoed er iedere ochtend uitzag alsof het door een tankwagen met drijfmest overreden was. Vlak voor zijn dood heeft hij mal giechelend de muren van zijn kamer met zijn eigen faeces volgekalkt met godslasteringen en obsceniteiten die aan de moderne literatuur ontleend leken.

Nee, het was allerminst de goede dood wiens zuiver pijpen door `t verstilde leven boort, waarmee ik als jongen geconfronteerd werd. Toen ik veertien jaar was en de oorlog uitbrak, kreeg ik pas goed de vuurdoop. Een ware triomf van de dood. Bij vrachtwagenladingen tegelijk zag ik de om het vliegveld Valkenburg gesneuvelde soldaten aankomen bij het pathologisch laboratorium in Leiden Toen ze uit de laadbak werden geschoven leek het een stroom ledepoppen in gehavende en bebloede uniformen die als gruwelijke stoffering voor een filmslagveld moesten dienen. Pas toen ik Duitse soldaten zag die hun parachutes tijdens de val aan flarden waren geschoten, drong het in al z`n ontstellende verschrikking tot me door dat het menens was, dat de dood als een briesende leeuw rondwaarde. Als menselijke bommen waren ze naar beneden geraasd en in de kleigrond tot een grimmige hoop vlees en botten van een meter samengeperst, de helm als een pandeksel in de bloederige massa gestampt.

Ik denk dat ik zonder die onthutsende eerste ervaringen met de sterfelijkheid van de mens toch niet anders over de dood zou zijn gaan denken. Heilsverwachting is waarschijnlijk ook genetisch bepaald en we hadden, ondanks een overvloed aan geheide vroomheid, ook heel wat atheïstisch gespuis in de familie. Ik kan me moeilijk voorstellen dat, als bijvoorbeeld mijn eerste ervaring met de dood het verscheiden van een hoogbejaarde oma was geweest, ik de beate gelukzalige glimlach van het versleten mensje waarmee ze de hemelen ten ontvangst van haar ziel geopend meende te zien, niet in de rigor mortis had zien verstarren tot een gruwelijk levenloos masker. Ik heb me nooit de knollen van het bederf voor citroenen der eeuwigheid laten verkopen.

Als ook je tweede jeugd voorgoed voorbij lijkt te zijn, hoeft niet per se een krant je te verzoeken om je gedachten te laten gaan over je op handen zijnde einde. Je wordt zo wel met je neus op de feiten gedrukt. When I do count the clock that tells the time. Soms loop ik hier alsof ik er al niet meer ben. En juist als je niets wilt regelen omtrent je begrafenis, denk je er vaak aan of er geen ontsnappen mogelijk is aan de aperte gruwel van de uitvaartindustrie die ons via de tv-reclame met een omfloerste stem doet weten dat we meer van de begrafenissen der oude Egyptenaren afweten dan van onze eigen uitvaart.

Uitvaart! Je houdt het niet voor mogelijk, zoals de wormen- en madenmaffia, dat slinkse vleesverwerkingsbedrijf, die groothandel in stoffelijke overschotten van ze durft te noemen. In grote haast proppen ze je in een kist van gefineerd waaibomenhout, deponeren je zo snel mogelijk in een kuil boven op wildvreemde kadavers waarmee je bij leven en welzijn nog geen dertig seconden zou willen verwijlen en knuppelen bijna de nabestaanden de rouwkapel uit als er weer een stuk onuitgebeend vlees van tachtig kilo is gelost waarvan de familieleden en vrienden, murw gerouwd, zich door een legertje dooie dienders langs de paden van het kerkhof naar een laatste kop afwaswaterkoffie laten ringeloren.

Ach, laten we ze er toch maar niet te hard om vallen, die knekelknechten van het massatoerisme naar de onderwereld van opgespoten zand. Zoals ze ter aarde bestellen zo worden ze ter aarde besteld. Wie een kuil graaft voor een ander... Teveel stervelingen bevolken de aarde. Voor piëteit en waardigheid is geen tijd meer. Zoals de mens geleefd heeft zo wordt hij weggewerkt. Van de bonte supermarkt van het leven, waar je en passant je ziel ook nog kan reinigen zonder biologisch voorwasmiddel, naar de supermarkt van de dood. Van de ontluisterende sterrenslag der imbeciliteit naar de onaandoenlijke hartaanval of het kankergezwel dat men als welkomstvoordeel bij het leven cadeau krijgt. Je bent dood en je wilt toch nog wat. Wie zich tot consumptiemaatschappij laat knechten wordt uitgestoten als pulp. Ook dat is een ijzeren wet.

Die aardige persoonlijke begrafenissen, die ik in mijn jeugd nog heb mogen meemaken, dat na de plechtigheid familieleden en vrienden tot aan de schemering in en voor de kroeg stonden met een goed gevuld glas, ratelend en roddelend. zodat je bijkans jaloers werd op de dode omdat hij toch maar het middelpunt was van zo`n bijna feestelijke bijeenkomst, ze behoren voorgoed tot het verleden. Ze komen nooit meer terug. We zijn hopeloos overgeleverd aan de schaamteloze vleesmakers van huis uit. Mais où sont les funérailles d`antan? Elles sont révolues. Elles ont fait leur temps. Les belles pom, pom, pom, pom, pompes funèbres.

Over je eigen dood je gedachten laten gaan is over je begrafenis nadenken. De mens heeft van nature de neiging om altijd maar weer een bedrijf verder te willen kijken, zelfs als hij voorgoed van het toneel gaat verdwijnen. Helaas zijn er maar twee mogelijkheden als je met je rug tegen die laatste klamme muur staat. Begraven of cremeren, that is the question. Nu heb ik onder mijn beste vrienden verscheidene directeuren van begraafplaatsen en crematoria. Menigmaal mocht ik dan ook getuige zijn van het opgraven van lijken die maar tien jaar de tijd hadden gekregen om te vergaan, een weerzinwekkende aanblik die het personeel dat het vlees gebleven bederf boven de grond moet halen psychisch zwaar belast. Door de plastic bekleding der doodkisten die het afgestorven lichaam schier krimpfoliebederfwerend maakt en doordat er zo`n uitgestrekt woud van stoffelijke omhulsels bij elkaar ligt - de kisten vaak zo dicht aaneengesloten dat de wormen er slechts met moeite op hun zij langs kunnen - is er niet genoeg zuurstof in de grond om het ontbindingsproces normaal te doen verlopen. (Je wordt als het ware in een dichtgesnoerde vuilniszak begraven). En zo kan het gebeuren dat je oog in gebroken oog komt te staan met een vriend of bekende waarvan je tien jaar geleden aan de rand der groeve voorgoed afscheid meende te hebben genomen (Dag Carel!). En dan ineens, door de inwerking van de buitenlucht, zakt die voze schijngestalte der verschrikking in elkaar en ligt daar voor je ontstelde blik een druipend skelet in een snotachtige massa weeïgheid die zo braakverwekkend riekt dat je kokhalzend de dodenakker ontvlucht. Nee, onze manier van begraven is onwaardig. nog af gezien van de vercommercialisering. (Wanneer zullen er op doodkisten de eerste reclames verschijnen? ZELFS NU IK VAN DE DOOD HET FIJNE KEN - BLIJF IK SMACHTEN NAAR HEINEKEN. IK KAN GEEN VOET MEER VERZETTEN - BLIJF TOCH OP DE KLEINTJES LETTEN. DOOR EIGEN SCHULD LIG IK HIER IN MIJN DOODSWADE - ER GING EEN DAG VOORBIJ ZONDER VERKADE. HAD IK VOLVO GEREDEN - DAN WAS IK OP DAT KRUISPUNT NIET OVERLEDEN.)

Voor hen die zo gauw mogelijk willen oplossen in de oneindigheid en weer element onder de elementen willen worden, wenkt het vernietigende en reinigende vuur van Shiva. De crematies die ik heb mogen aanschouwen, door een klein kijkgat de hitte van de verbrandingsoven in, waren indrukwekkend. Zelfs een onbehouwen individu met een fysionomie die aanleiding gaf tot filosoferen over een directe afstamming van de sauriërs wordt, als hij door het reinigende vuur tot in zijn kernen verrast en verast wordt, voor een korte stonde een verheven farao van kersrood gloeisel. En dan zakt alles in elkaar en blijven er slechts een paar scheppen as over die nog even verpulverd moeten worden om strooiklaar te zijn.

Natuurlijk wil ik niet mijn hele verdere dood in een urn zitten. Een liefderijke hand zal me verspreiden tussen de eenbessen en bosanemonen op mijn terrein. En wat het voortleven betreft via je nageslacht, ook daar heeft de onverwoestbare William Shakespeare al alles over gezegd.

And nothing `gainst time`s scythe can make defence,

Save breed to brave him when he takes thee hence.