Met Wolkers werd het echt gezellig in bed

Vlak voor mijn vertrek naar de middelbare school stuitte ik op Turks Fruit. Het betekende het einde van mijn kindertijd, die tot dan toe bevolkt was met sprookjesfiguren, edele helden, jongeren op zoek naar een plek in de wereld, allemaal mooi en aardig en heerlijk onschuldig.

Maar nu was er sprake van seks – een vorm van lichamelijke activiteit die in de beschrijving van Wolkers tegelijkertijd iets surrealistisch had – nog voordat ik wist wat het surrealisme was – en dodelijk concreets als De Stijl. Dampende seks in de vorm van verlangen naar een vagina, beschrijving van een vagina en het likken van een vagina. De plastische beschrijvingen daalden via mijn netvlies neer naar de onderbuik om daar met satanisch genoegen verlangen naar een vagina te scheppen.

Dus in het leven ging het om de liefde, en niet die van de pre-rafaëlitische variant maar de liefde die als een roos die bloeit, zijn hoogtepunt bereikt en zijn neergang vindt in verrotting, compost wordt voor nieuwe planten. En dit maakt de jongen van elf droevig. Waarom was het leven eindig? Waarom was het niet eerder oneindig, een carrousel van belevenissen, avonturen en romantische entr’actes zolang je wilde en kon?

Ik raakte daarna geen kinderboek – zo ging ik ze noemen – meer aan of ik las vooral wat er niet in stond: geen vrije gemeenschap van vleselijke goederen tussen twee mensen, geen taal die net als die van Wolkers het verhevene met het alledaagse mengt en geen besef dat alles wat mooi en lekker is uiteindelijk ook op een dag afgelopen zal zijn, aan grillige wetten onderhevig is. Hoe kon het oeuvre van Thea Beckmann daar aan tippen? Kinderboeken waren mooi maar ontbeerden het component van menselijke tragiek die grote literatuur nu eenmaal kenmerkt, zoals sommige koeien door zwarte vlekken worden gekenmerkt. Voortaan meed ik in de bibliotheek de jeugdafdeling alsof het een kliniek voor lijders van geelzucht was. Het was eigenlijk een gestoorde plek, zo dacht ik, waar de cruciale vleselijke component van het leven om allerlei opvoedkundige reden werd genegeerd.

Niet alleen de seksualiteit, ook het idee van relaties ging voor mij op de schop.

De tragische liefdesgeschiedenis van Turks Fruit lag een week lang onder mijn kussen te broeien. In deze periode was ik een tijdje ziek, dus ik had tijd zat om te lezen. Mijn moeder bracht me twee spiegeleieren waarin ik de borsten van Eva in zag. Gelukkig was mijn moeder een analfabete. Ze kon niet zien aan het boek of ruiken dat het boek van mij een man maakte en van haar een seksueel wezen. Lang leven het analfabetisme! Het was alsof ik zo’n driedimensionale bril kreeg opgezet, waardoor ik de ware krankzinnige kleuren van de werkelijkheid kon zien vol met al hun uitweidingen, penetraties en pracht.

Mijn vader werd iemand die net als de hoofdpersoon in Turks Fruit in staat was tot al die goddelijke ‘viezigheid’. Het maakte hem er meteen een stuk sympathieker op. Ik kon zijn agressie ineens veel beter duiden, zijn sluwheid ook en de manier waarop hij, zo meesterlijk, voorkwam dat de buitenwereld met al zijn ingewikkelde eisen zijn machtige binnenwereld vernietigde. Hij had zijn lul om om zich heen te slaan en reken maar dat hij die gebruikte, want kinderen werden in mijn huishouden geboren alsof het appeltjes waren die in Luilekkerland van een boom vielen. Zo vruchtbaar de vrouw, zo krachtig de man die zich daar naar voegt. Dat mijn moeder nog jarenlang met krampen, chagrijn en lamentaties rondliep die voortkwamen uit de geboorteweeën die haar nooit meer verlaten hebben, mag niet uitgevlakt worden. Laat het hier gezegd zijn.

Het had natuurlijk geen zin om mijn ouders te informeren over dat Turks Fruit dat ik aan het opslorpen was. Zij leefden meerdere verhalen tegelijkertijd, Marokkaans fruit. In de tussentijd – ze hadden nogal wat ruzies met elkaar in die periode waarvan ik nooit het waarom kon achterhalen maar slechts hoopte dat ze met een sisser zouden aflopen – laadde ik boek na boek van Wolkers mijn gezegende slaapkamer in. Het werd nu echt gezellig in bed, want na het lezen van wat passages die nog eens in geuren en kleuren uit de doeken deden hoe goed het was om het leven vooral niet al te serieus te nemen en de liefde en de seks die erbij hoort juist weer wel, was met wat spuug en fantasie – aangespoord en gekruid door de tale Kanaäns – al heel wat hoger honing uit het lichaam naar boven gebracht.

Wist ik veel dat achter het laten bloeien van leven als elfjarige vooral nogal wat autarkische principes schuil gingen: genieten van de ander – mijn eerste vriendinnetje zou pas zeven jaar later komen dus ik had mijn ambachtelijkheid hard nodig en alle tijd om die te ontplooien – was uiteindelijk beginnen met genieten van jezelf. Nu was het juist in Turks Fruit dat die schaar van jezelf en de ander elkaar raakten: ik was vanaf dat moment bezig om een ander te ontmoeten die, stiekem hoopte ik, net als ik Turks Fruit had gelezen zo rond mijn leeftijd, de naam Esther, Fatima of Carolien droeg en net als ik begreep dat het leven, dat voor ons nog stond te beginnen inclusief puistjes en waardeloze crèmes, alleen aan verlichting en rijkdom kon winnen als je goed wist hoe je je naar de mores van de seksualiteit wist te richten. Wie dat niet begreep, leeft slecht. Wie dat weet maar het – nog – geen plaats geeft, speelt vals. Wrede schepsels zijn het, de vrouwen. Dus heb ik een paar jaar lang Wolkeriaans geleefd op zoek naar die muze, die eerste vrouw, die met mij tussen de pagina’s van het boek, de dekens van het bed en de openingen van onze lichamen kon glippen.

Had iemand me toen gezegd dat het nog zeven jaar zou duren voordat de seksuele ban werd gebroken, voordat ik het zegel van maagdelijkheid kon verbreken, ik had subiet de zelfmoord uitgevonden.

De ontlezing was toen al in gang gezet. Mijn generatie meisjes had misschien dan wel de film gezien maar in de aansporing zelf onderdeel te worden van de levenscyclus – die periode van bloedingen en maagpijn te compenseren met dat kleine knobbeltje geluk dat op ze lag te wachten – zagen ze niet zoveel. Ze hadden het te druk met het in hun agenda plakken van bleke jongens en het oppoetsen van lippen. Ik was gewoon mijn tijd ver vooruit, concludeerde ik, en spoog in mijn hand.

Gek genoeg kwam het Wolkeriaanse ideaal – liefde, aantrekkingskracht tussen de seksen, de broeierigheid die erbij hoort en op de achtergrond een schaap dat zachtjes blaat – nog het dichtst bij in mijn geboortedorp Ighazzazzen, waar je niet beter wist of je ging met je neven je piemel vergelijken, met je ooms onder de cactussen naar elkaars slinger kijken en steelse blikken werpen op al die jonge meisjes via allerlei ingewikkelde familielijnen met je verbonden waren en de kunst verstonden om op hun hurken gezeten, de knieën licht uit elkaar, de vaat te doen, je daarbij zachtjes met de ogen aankijkend, terwijl ze met het sop in de handen hun benen ritmisch uit elkaar lieten gaan, en dan weer naar elkaar brachten, alsof ze goed wisten dat jij in hun bedekte vulva de klepperende brievenbus naar het hiernamaals zag.

Zoet Ighazzazzen waarin Wolkers en Lady Lovelace samenkomen en ook Homerus en Salman Rushdie en Diego Armando Maradona. Wolkers en het Marokkaanse plattelandsleven: een natuurlijke symbiose, want het is in de natuur waar de saters dansen, de nimfen vluchten en Zeus Europa verleidde. Waar Dionysus, de schutsheilige van Wolkers, liefhebbers van spuug en bloempjes nog niet in de knop gebroken, zijn levenslustige lied speelt, waar hij zijn simpele rijkdommen uitdeelt: heb lief, leer lief te hebben en breng dit in praktijk!

Wie dit niet doet, blijft altijd een kind. Zalig zal hij zijn in zijn stompzinnige onschuld.