Laag tij voor de NAVO

Het informele beraad van de NAVO in Noordwijk heeft één min of meer concreet resultaat opgeleverd. Voortzetting van de Nederlandse missie in Uruzgan is naderbij gekomen, nu andere NAVO-partners hebben laten doorschemeren dat ze bereid zijn troepen te stationeren ter ondersteuning van de Nederlandse. Slowakije en Hongarije zijn bereid tot elk 50 man. Tsjechië denkt na. Frankrijk gaat wellicht 50 instructeurs voor het gemankeerde Afghaanse nationale leger sturen. En Georgië slaat alles met een aanbod van 200 man. Tbilisi koestert weliswaar geen intens verlangen om een steentje bij te dragen. Georgië heeft slechte ervaringen in Afghanistan, als deelrepubliek van de Sovjet-Unie die in 1979 intervenieerde en tien jaar later met de staart tussen de benen afdroop. Maar voor president Saakasjvili, de voormalige held van de ‘rozenrevolutie’ van 2003 die nu steeds meer onbehouwen te werk gaat tegen de oppositie, is dit een uitgelezen kans om Georgië voor de NAVO te balloteren.

Voor het kabinet-Balkenende is het moeilijk om ‘nee’ te zeggen tegen de hulp. Secretaris-generaal De Hoop Scheffer van de NAVO accepteerde gretig de toezeggingen van de bondgenoten direct. Minister Van Middelkoop (Defensie, ChristenUnie) zei het niet met zoveel woorden, maar zijn gelaatsuitdrukking sprak vergelijkbare taal.

Toch is het te vroeg om te jubelen over deze uitingen van solidariteit binnen de NAVO. Van eenheid is nog geen sprake. De budgettaire lastenverdeling illustreert dat. Voor de kosten van de ISAF-missie in Afghanistan draaien nog altijd alleen die lidstaten op die deelnemen. Noordwijk heeft die impasse niet doorbroken. Er is alleen afgesproken dat de NAVO gezamenlijk transporthelikopters gaat huren voor de aanvoer van goederen in Afghanistan. Nog ernstiger is het dat er ook geen begin van consensus is over een gezamenlijke strategie in Afghanistan. Vechten of bouwen, papaver gedogen of bestrijden: de NAVO is het onderling oneens.

Kern van het existentiële probleem van de NAVO blijft de verstoorde verhouding tussen de Verenigde Staten en Europa. Sinds toenmalig minister Rumsfeld van Defensie zei dat niet de NAVO de doelstellingen van militaire missies dient te bepalen, maar, omgekeerd, dat de missies bepalen met wie de Amerikanen in zee gaan, is het bondgenootschap politiek in het ongerede.

Een treffend voorbeeld werd deze week buiten Noordwijk geëtaleerd. Op bezoek in Praag, ooit door Rumsfeld als het nieuwe (lees: betere) Europa in het zadel gezet, opperde zijn opvolger Gates dat er Russische inspectietroepen zouden kunnen worden gelegerd in de nabijheid van het radarcomplex in Tsjechië, onderdeel van het geplande antiraketschild tegen Iran en andere ‘schurkenstaten’. Gates dacht zo het steeds agressievere verzet van Moskou te ontmantelen. Geen sprake van, repliceerde premier Topolanek onmiddellijk. Sinds 1968 zijn Russische soldaten in Tsjechië op voorhand geen vrienden. Het ideetje van Gates illustreerde hoe weinig oog de regering-Bush heeft voor de actualiteit van de naoorlogse geschiedenis op het Europese continent, een geschiedenis waarin juist de NAVO tussen 1949 en 1989 een cruciale rol heeft gespeeld.

Nog is de NAVO niet verloren. Maar het informele beraad in Noordwijk heeft het tij niet wezenlijk gekeerd.