Kort verband PKK

Het dorp van de zeven broers Reber Havin

Reber Havin: Het dorp van de zeven broers. Uit het leven van een Nederlandse Koerd. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 239 blz. € 16.95

De oplopende spanning als gevolg van de laatste PKK-acties maakt duidelijk dat de Koerdische kwestie in Turkije allerminst is opgelost. Dat heeft wel eens anders geleken. De rol van de PKK, de ‘Arbeiderspartij van Koerdistan,’ leek na de arrestatie van haar leider Abdullah Öcalan in 1999 uitgespeeld, en er kwam door het vooruitzicht op EU-lidmaatschap in Turkije een langzaam proces van politieke hervormingen op gang. Maar de hervormingen stagneren, het Turkse nationalisme laait weer op, en een nieuwe generatie Koerdische activisten komt op voor zijn rechten.

Reber Havin behoort tot een eerdere periode. Hij kreeg al in 1992 politiek asiel in Nederland, nog voor de strijd tussen leger en guerrilla’s in Zuid-Oost Turkije op zijn felst werd, halverwege de jaren negentig. In Het dorp van de zeven broers vertelt hij verhaal van zijn ontwakende Koerdische bewustzijn en, minder nadrukkelijk, van zijn toenemende scepsis ten aanzien van het geloof waarin hij is opgegroeid. Hij is in 1972 geboren in een dorp in de buurt van Diyarbakir; de eerste hoofdstukken van zijn boek staan vol verhalen over armoede, bloedwraak, en dorpse islam. Zijn Koerdische identiteit ontdekt hij naar eigen zeggen pas omstreeks 1988, vooral na de chemische aanvallen die Saddam Hoessein dan tegen de Iraakse Koerden uitvoert. De guerrilla die de PKK in 1984 op Turks grondgebied was begonnen, en de toenemende repressie en vernederingen door leger, gendarme of paramilitaire troepen lijken grotendeels aan hem voorbij te zijn gegaan.

Adembenemend bondig beschrijft Havin vervolgens zijn rekrutering voor en toetreding tot de PKK-guerrilla’s, die hij na enkele maanden alweer verlaat. De chronologie is hier wat onduidelijk: het lijkt of hij in of kort na 1988 bij de guerrilla’s gaat en enkele maanden later naar Nederland vlucht, maar elders staat dat hij pas in 1992 vertrok. Ook wordt niet duidelijk waarom hij al zo snel weg wil bij de guerrilla’s: is het heimwee, of zijn zelf verklaarde onwil om mensen te doden? Maar waarom ging hij dan überhaupt bij de militante PKK? Veel vragen blijven onbeantwoord.

De reden daarvoor is misschien de balanceeract die Havin uit moet voeren tussen de Turkse staat en de Koerdische guerrilla: hij is weliswaar weg bij de PKK, maar daarmee nog niet pro-Turks geworden. Dat dilemma wordt duidelijk op de laatste bladzijden van het boek. Daar beschrijft Havin zijn wantrouwen tegen de Koerdische tolken in Nederland, die hij allemaal als pro- PKK beschouwt. Voor zijn asielaanvraag besluit hij daarom niet te vertellen wat hij echt heeft meegemaakt, maar een verhaal te verzinnen waarmee hij vluchtelingenstatus kan krijgen. Als lezer begin je je dan af te vragen in hoeverre dat ook voor zijn boek geldt.